§ 1 De draaiende wereldbol
Wat je weet, is kennis. Stel kennis voor als een rondje. Wat je weet, zit in dat rondje en wat je niet weet, bevindt zich erbuiten. Hoe groter dat rondje hoe meer jeweet. Hoe meer je weet, hoe meer vragen je kunt stellen, dus hoe meer je weet, hoe meer je niet weet. Het rafelrandje van het bolletje vormt de overgang tussen weten en niet weten. Vragen verkeren op dat randje en dat randje draait met dat rondje mee. Het leven is op dat randje. Een punt op dat randje is het hier en nu; een nu dat zichzelf continu opvolgt: het eeuwige nu. Dat puntje daar, dat ben ik. Of dat ben jij op dat moment op die plek die alweer voorbij is. Terwijl ons bolletje draait, draait het om een ander bolletje, een veel groter bolletje, dat veel kleiner lijkt omdat het acht lichtminuten verderop zijn ronde doet in de rondweg van geklonterde melk aan een uitspansel waarvan er zo vele ontsponnen zijn.
De paradoxen staan in het hemelgewelf gegrift terwijl alles rond draait. De aarde was vroeger alleen maar plat, dat was een feit en weergegeven als een schijf was ze toch mooi rond. Ze is een vrijwel ronde bol, dat is bewezen. Vanuit concreet, alledaags, persoonlijk en praktisch perspectief is zij even plat als in de oertijd. We leren echter beter te weten. Je kunt dat napraten noemen; je kunt het ook als een kwestie van abstractieniveau beschouwen. Dat de aarde een ronde bol is, verklaart een hoop dingen die de alledaagsheid te boven gaat, bijvoorbeeld als je in een vliegtuig van oost naar west of vice versa reist en je met de tijd rekent om er rekening mee te houden als je voet aan de grond zet. Geen hond die dat doet. Einstein zette een stapje hoger op de ladder der abstractieniveaus met zijn theorieën over de speciale (1905) en de algemene relativiteit (1915). Geniaal? Relatief!
Het is dag en nacht op aarde. Twee tegengestelde dingen blijken gewoon gelijktijdig plaats te grijpen. De aarde staat stil en de aarde beweegt. Je zit stil, je doet de hele dag niets en toch ben je 24 uur later met een snelheid van 27 km/s om je eigen as gedraaid. Ik zit stil achter mijn beeldschermpje te tikken terwijl ik met astronomische snelheden relaxed door de ruimte scheur. De rest van de aarde doet gewoon gezellig mee. De mensen rond de evenaar verplaatsen zich zelfs met een gemiddelde snelheid van 1.670 km per uur… En dat met die hitte!
§ 2 De toverbal
Het begin van ons zonnestelsel 4,54 miljard jaar geleden was explosief en extreem qua hitte en energie, ook al was het slechts een echo van de big bang die 13,8 miljard jaar geleden het heelal deed knallen. Het heelal dijt uit vanaf het begin, ons zonnestelsel koelt af, de gaswolk verdicht, de vloeibare materie stolt, de stoffen trekken samen en de materie fuseert tot samenklonterende massa’s waarbij de zwaarste metalen naar de kern zakken. Met die toename van massa genereren zij een toenemende zwaartekracht waardoor de aldus ontstane planeten als een stofzuiger opereren als ze hun baan rond onze ster draaien.
Tijdens de wording van de aarde was er een apocalyptische botsing en samensmelting van de aarde met een proto-planeet, genoemd naar de moeder van de maan, Theia die tot een extreem hete stof- en gaswolk zou leiden. De Amerikaanse schrijfster, redactrice en maanfanaat Rebecca Boyle schrijft hierover in haar fantastische en fascinerende boek[1]. Bij die fusie kwam de aarde voor een deel uit materiaal van Theia bestaan. De maan die van die nieuwe aarde afgestoten werd, werd geboren. Het zou nog een half miljard jaar duren voordat de maan en de nieuwe aarde voldoende afgekoeld waren om hemellichamen te worden met een vaste kern. Eerst kregen beide hemellichamen het heftig te verduren als gevolg van een kosmisch bombardement waarbij lavastromen van vulkaanuitbarstingen het oppervlak tekenden, zoals de uitgestrekte lavazeeën, de maria, aan het maanoppervlak demonstreren. De maan blijkt het doodgeboren kindje; de aarde blijkt levensvatbaar en heeft met dank aan wind, water en leven die sporen van maria in de loop der miljoenen jaren verweerd, vergruist, gewist, weggespoeld en weer opgenomen in de kringloop van het gesteente. De grootste dank verdient de maan. De voormalig Space Camp-deelnemer Boyle refereert met betrekking tot het ontstaan en de wording van aarde en maan meermaals aan de astronoom en atmosferisch fysicus Alfred Wegener, zoals zij hem betiteld. Ik laat haar hier aan het woord met betrekking tot het begin van de ontstaansgeschiedenis van aarde en maan (p. 53): ‘(Wegener) kwam met de hypothese dat de continenten van de aarde uit zichzelf ronddrijven. Hij stelde dat de aardkorst boven op de kern drijft – net zoals de anorthosietstenen van Neil Armstrong oorspronkelijk op een hete maan dreven, hoewel Wegener dat niet wist. Wegener suggereerde dat dit gebeurde door getijdenkrachten als gevolg van de zwaartekracht van de maan.’ Aarde en maan waren in dit explosieve begin, waarbij Theia deel ging vormen van onze planeet en de maan ervan scheidde, grotendeels vloeibaar en gasvormig. De aarde en de maan tolden op korte afstand rond elkaar. Etmalen op aarde duurde slechts enkele uren. De getijdenwerking als gevolg van de zwaartekrachten die de twee hemellichamen tweemaal daags opriepen was daardoor enorm. De energie van deze getijdenmotor verdwijnt in de oceaan, gaat verloren in de dampkring, verdwijnt in de werking van de getijden en voedt de magnetische dynamo die het magnetisch krachtveld van de aarde veroorzaakt. Op pagina 71 schrijft zij: ‘De maan kan het magnetische veld van de aarde gevormd hebben vanaf het moment van haar ontstaan. Zelfs als de overblijfselen van Theia vandaag de dag niet in de aarde begraven liggen, zou de wereld de mantel van aarde 1.0 hebben herschikt, wat her convectieproces zou kunnen hebben veranderd, waarop de continentaalverschuivingstheorie[2] van Alfred Wegener is gebaseerd. Sommige geofysici denken dat de maan en haar bijzonder heftige ontstaan ons misschien wel de unieke actieve, kolkende, rotsachtige, door een krachtveld beschermde wereld hebben gegeven die we nu hebben. Misschien hield de continentaalverschuivingstheorie van Wegener toch verband met de maan.’
Zware metalen als ijzer en nikkel zakten door de gesmolten mantels naar de kernen en het lichtere gesteente klonterde als ijsbergen samen op de vloeibare buitenmantel. Hemelse projectielen als asteroïden bekogelden het synchroon dansende stel zo heftig dat er vulkanen ontstonden die uitbarsten. Kometen voerden die bouwstenen voor het leven aan met hun koolstofverbindingen en aminozuren, opgelost in water.Het lijkt alsof die helse hemelstenen inderdaad de zaadcellen waren die de eicel aarde bevruchtten met leven en de maan links lieten liggen. Ja, het water, het op één na meest voorkomende molecuul in het heelal, stortte inderdaad met bakken uit de hemel. De steenklomp aarde werd geheel bedekt met een plas water, die de ontwikkeling van het leven op onze bont-en-blauwe planeet heeft geïnitiëerd Als er een zondvloed is geweest dan was dat toen en pas toen kwam er leven pruttelen in de kolkende soep. Dat leven begon in de vorm van eencelligen. Deze eerste micro-organismen, die zich ontwikkelden in zuurstofloze wateren, produceerden via fotosynthese de eerste zuurstof. Pas veel later, rond 600 miljoen jaar geleden, ontstonden de eerste meercellige dieren, zoals sponzen. Toen begon langzamerhand het land het aardoppervlak koloniseren. De aarde begon op de blauwe planeet te lijken die het nu is met ruim 70 % van het aardoppervlak dat door de zee is ingenomen.
Onze aarde is een groene planeet omdat het landoppervlak bedekt is met een flora die vooral groen is als gevolg van het proces van fotosynthese waarbij zonlicht het bladgroen (cholorofyl) van de bladeren chemisch omzet in voedingsstoffen. Voor de voortplanting heeft dit groen verleidelijke, fraai gevormde, lekker riekende en kleurrijke bloemen geselecteerd om bijen en vlinders aan te trekken. De aarde raakte bevolkt met wezens en verschijningen in een bonte verscheidenheid aan uitmonsteringen, kleuren, geuren, smaken, vormen en maten. Behalve deze groene, bonte en blauwe aarde is zij ook een witte planeet vanwege de sneeuw die het landoppervlak in de poolgebieden en de hooggebergten bedekt en vanwege de dampkring die de lucht met watjes bevolken, eh bewolken. De aarde is een kameleontische en caleidoscopische planeet vanwege het juist afgeschilderde palet dat zich aan het aardoppervlak aftekent en deze indrukwekkende variatie aan leven biedt. Zonder een ster aan het firmament als onze zon is er echter kleur noch leven op onze toverbol.
[1] Verder lezen: Rebecca B. Boyle. Onze maan. Hoe ze de aarde, de evolutie en ons heeft gevormd; 2025. Oorspr. titel: Our Moon. Vert.: Marianne van Amersfoort-Gerritsen.
[2] Bedoeld wordt de theorie van continentverschuiving, in het Engels continental drift.
§ 3 Boom des Levens
Darwin zag de evolutie als een stamboom van het leven. Dat leven is in water begonnen. We zijn voortgekomen uit eencelligen in een wereldzee. De moleculaire biografie die in de tweede helft van de vorige eeuw een grote vlucht nam, demonstreert Darwins gelijk met betrekking tot het gemeenschappelijk bouwplan van de levende natuur. Deze homologie zien we terug in de embryologie, genetica, morfologie en anatomie en duiden de ziel van de natuurlijke historie.
Alle organismen blijken uit dezelfde elementaire minuscule bouwstenen te zijn opgebouwd en met behulp van deze bouwsteentjes en het uitmuntende classificatiesysteem van Linnaeus, dat nog steeds wereldwijd gehanteerd wordt, kunnen we deze Boom des Levens reconstrueren. Darwin getuigt van dit bouwplan en wereldbeeld als hij op pagina 213 in Het ontstaan van soorten[3]heel fraai concludeert ‘dat een groot deel van het dierenrijk vrijwel dezelfde smaak voor fraaie kleuren en muzikale geluiden heeft.’
De Duitse universalist en ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt had Darwin met het holistische idee van een ‘web van het leven’ op het spoor van natuurlijke selectie gezet. Von Humboldt beschreef reeds hoe planten en dieren ’elkaars aantallen beteugelen’ en dat er sprake was van een ’aanhoudende strijd’ om ruimte en voedsel.
Als voorbeeld van het begin van een boom, een stamboom bijvoorbeeld, neem je een zaadje, pitje, eitje, eikeltje dat in een bevruchte vruchtbare aarde wortelt, groeit en zich vertakt in talloze levensvormen die bebladerd raken, bevrucht en bebloemd worden, bloeien, vrucht geven en zich verspreiden om weer leven te geven terwijl tegelijkertijd het leven verdwijnt, transformeert, metamorfoseert, modificeert, evolueert, muteert, terugvalt, afsterft, uitsterft dan wel anderszins verandert of daarentegen zo robuust of eenvoudig of zo elementair blijkt dat het bij tumultueuze veranderingen juist wel gelijk blijft of zelfs degenereert. Er zijn wezens, sponzen bijvoorbeeld, die in honderden miljoenen jaren niet of nauwelijks geëvolueerd zijn. Sponzen schijnen zelfs ooit de meest overheersende levensvorm op aarde te zijn geweest. De sponsdieren zijn zo veelvormig dat de oorspronkelijke versie van een spons heel goed mogelijk nog steeds ergens rond plonst.
De Atlantische Oceaan scheidde reeds enkele tientallen miljoenen jaren Eurazië en Afrika van Noord- en Zuid-Amerika toen in Afrika de eerste mensapen verschenen. Ruim tien miljoen jaar geleden, toen de stamhouder van de orang-oetans (betekenis bosmens) onderweg was naar Maleisië en Indonesië, verschenen de stamhouders van de gemeenschappelijke voorouders van mens en chimpansee in het tropisch regenwoud van Afrika ten tonele. Darwin noemde deze voorouders boomapen op grond van hun habitat in de tropische regenwouden van Afrika. De meeste apen waren boomapen, zoals de mensapen ook boomapen waren. Laat ik ze bosmensapen of boommensapen noemen. Tegen het eind van het Mioceen en rond het begin van het Plioceen kregen we te maken met gescheiden voorouderlijke boommensapen. Toen deze zijtak splitste, zou een droog zijtakje een paar miljoen jaar later als chimpansees de show stelen. Een paar zijtakjes van die boommensapen hingen echter met hun blaadjes in het water waar ze verzopen op een paar afhangende natte zijtakjes na. Die natte bladaapjes pasten zich aan, gingen van die nattigheid houden en evolueerden in hun nieuwe ecologische niche van boommensapen tot een verzameling watermensapen waarvan Australopithecus misschien één zijtakje was. Er werd volop geëxperimenteerd met de wijze van voortbewegen onder de vele soorten boomapen en daarmee is al aan het eind van het Mioceen begonnen. Een rechtop gaande houding waarbij op twee voeten werd gelopen, was geen uitzondering. Ruim zes miljoen jaar geleden liep in Kenya de Orrorin tugenensis rond, een mensaapachtige en een mogelijke voorouder die eveneens vooral in de bomen vertoefde. Ardipithecus ramidus liep op twee voeten en leefde 4,4 miljoen jaar in de Afar vlakbij de vindplaats van Lucy in de Hoorn van Afrika.
Als we van watermensapen afstammen en een gedeeltelijk of grotendeels aquatisch bestaan hebben geleid waardoor we een verticale houding hebben als we op twee voeten lopen, dan moeten we in de overgangsfase ongeveer tegelijkertijd onze vacht zijn kwijt geraakt en in plaats daarvan onderhuids vet geëvolueerd hebben. Dit zijn lichaamseigenschappen die we niet terug vinden bij fossielen. Van een mensapensoort die in water leeft zullen we toch al moeilijk fossielen vinden.
[3] Charles Darwin. Het ontstaan van soorten door natuurlijke selectie ofwel het bewaard blijven van rassen die in het voordeel zijn in de strijd om het bestaan. De definitieve editie; 1872. Oorspr. titel: The Origin of Species by Means of Natural Selection; or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life; 1859. Vert.: Ruud Rook 2001. Noot van de vertaler (p. 6): Voor deze vertaling is uitgegaan van de 6e druk, de ‘definitieve editie’ uit 1872, die aanzienlijk verschilt van de eerste en (ongewijzigde) tweede druk. … Het lijkt me dat de vertaling van de laatste editie … Darwin het meeste recht doet.
§ 4 Leren staan
De aquatische aaptheorie is een vertaling van de aquatic ape theory, afgekort tot AAT. Is dat juist? De afkorting is in het Engels en Nederlands hetzelfde, dat is juist. Een aap is een monkey in het Engels; een ape is een mensaap (of een aapmens). Er dient zich nog een complicatie aan in de vertaling: het kenmerkende verschil in het Engels is, dat de ‘apes’ of ‘great apes’ geen staart hebben en monkeys wel. In het Nederlands is het juist de uiterlijke overeenkomst die het beeld schetst van een aap die op een mens lijkt en andersom. Illustratief, die beeldvorming als gevolg van een andere taal waarbij je een beter passender denkbeeld over het hoofd ziet. Krommunicatie!
In de vertaalde boeken van Elaine Morgan wordt gesproken van een wateraap. Dat vind ik dus wat ongelukkig. In het Engels wordt gesproken van een aquatic ape, dat is een aquatische mensaap. Waterchimpansee en watermensaap zouden betere vertalingen zijn, treffender en kenmerkender. Watermensaap verdient de voorkeur omdat een eventuele waterchimpansee waarschijnlijk niet is voortgekomen uit een chimpansee, maar met die chimpansee wel een gemeenschappelijke voorouder hebben: een mensaap die hoogstwaarschijnlijk in de bomen toefde.
Mensapen als gorilla’s, chimpansees en orang-oetans kunnen, zoals zoveel dieren wel rechtop staan en ze kunnen ook wel een beetje of eventjes rechtop lopen. Als ze lopen, maken ze vaak gebruik van hun armen en vuisten en de knokkels van die vuisten om op te steunen en om hun evenwicht beter te bewaren. Zij worden daarom knokkellopers genoemd. Half werk, lijkt mij. Ziet er onhandig uit, vind ik, maar ik ben een mens. Zou dat lopen op knokkels een tussenfase kunnen zijn? Kunnen mensen op hun knokkels lopen? Stel je dat maar eens voor: ga staan en plaats je vuisten op de grond. Je achterwerk wordt dan je hoogste lichaamsdeel; je hoofd komt bijna helemaal beneden te hangen, waardoor je achterwaarts tussen je benen door kijkt. Als je vooruit wilt kijken, moet je je hoofd tegen de zwaartekracht in omhoog draaien. Hoe wil je in die positie gaan lopen? Wat is voorwaarts? Hoe of wat, het schiet niet op en je houdt het niet lang vol. We kunnen nog beter op handen en knieën als we moeten, maar we lopen liever op onze twee voeten. Met je hoofd boven tart je wel de zwaartekracht, maar we beschikken over een heel lichaam om dat hoofd te ondersteunen. Dat is beter als het koppie beneden.
Lopen is een kunstje dat we moeten leren. Evenals de eerste longvissen die aan land kwamen en daar op hun voorste twee kieuwen voortgang boekten, leren we als baby eerst te kruipen. We gebruiken eerst en vooral onze armen om ons vast te grijpen en verder te trekken met onze handjes. Onze beentjes bewegen mee en helpen ons gaandeweg meer op dreef door met onze voetjes af te zetten, te trappelen en te schuifelen. Het relatief grote hoofd met onze ogen, oren, mond en neus houden we omhoog als we kruipen en zitten. We zijn al een jaar oud als we leren te staan.
Als boomapen tartten onze voorouders eveneens de aantrekkingskracht van de aarde als ze door de lucht slingerden en zweefden. Chimpansees stelen de show als ze met hun sterke armen in de bomen klimmen, zich met hun handen aan takken en lianen vastgrijpen waarbij ze zelfs van hun grote tenen gebruik maken. Wat zijn die luchtacrobaten lenig. Ze kunnen ook gewoon rechtop lopen in de bomen en op een luchtbrug, maar dan moeten ze zich wel vasthouden met een hand aan een reling, een liaan of iets anders. Chimpansees kunnen met hun handen en met behulp van een stokje mieren uit een mierennest peuteren; ze kunnen met een steen in hun handen harde vruchten openbreken en ze kunnen zelfs met stenen gooien, al missen ze daarbij de nauwkeurigheid die de mensen hebben. Die handige handen van alle mensapen hebben vingers die eerst en vooral dienen om je als zuigeling vast te grijpen en te klemmen aan de haren van je moeder terwijl ze zich verplaatst en in de bomen hangt of in het water waadt en zwemt. Je kunt met je handen voedsel naar je mond brengen om te eten en naarmate je handiger wordt, kun je er bananen en pinda’s mee pellen om ze op te peuzelen. Je kunt ermee vruchten plukken, andere apen vlooien, onder je oksels krabben en ter afwisseling in je hol en uit je neus te peuteren. Wij, mensen, kunnen dit ook allemaal. Wij kunnen ook spelenderwijs klauteren en klimmen in de bomen en daar boven zwaaien naar die apen beneden. We kunnen vluchten voor beesten die niet die bomen in kunnen en die gevaarlijke beesten bekogelen met kokosnoten. We gingen op onze tenen staan om ergens bij te kunnen met onze handen en we kunnen bukken om iets te pakken. We kunnen mosselen en oesters van stenen plukken en dieren van hun schelpen, ledematen en scharen ontdoen om het vlees ervan op te peuzelen. We kunnen het dak op. Wij moeten als zuigeling echter flink oefenen om na een jaar met veel vallen en opstaan te leren lopen. Eigenlijk kunnen wij nagenoeg niets als we geboren worden. We moeten alles nog leren tijdens ons buitenbaarmoederlijk bestaan terwijl die stomme apen en al die andere beesten dat wel kunnen. Alles? We kunnen wel meteen zwemmen en daarmee onderscheidden we ons van alle andere mensapen.
§ 5 De natte tak wordt een wandelende tak
Vrijwel alle zoogdieren kunnen vanaf hun geboorte meteen lopen, maar wel op alle vier hun ledematen. Waarom zijn wij in hemelsnaam rechtop gaan lopen?
Als natte tak spoelden we in den beginne het water in waarbij we onze hoofden met behulp van onze armen boven water hielden terwijl we op onze benen stonden. We moesten natuurlijk wel lucht ademen boven water. We leerden te lopen door dat water dankzij de tegendruk ervan. In ondiep water kunnen we staan en lopen met dank aan de zwaartekracht. In water tot je knieën is die zwaartekracht dertig procent kleiner dan op land. Je moet zwaarder stappen. Omvallen lukt bijna niet meer. Je houdt bijna automatisch je evenwicht. Als je tot de helft in water staat, is de zwaartekracht ook de helft. De opwaartse druk maakt lopen lastig en zwaar. De weerstand van het water remt je in de voortgang waardoor je door het water waadt alsof je deftig schrijdt. Als we willen vallen, spartelen we tegen en dat spartelen wordt trappelen in dieper water. We hebben dan geen grond meer onder onze voeten. Als het water je tot de lippen stijgt, moet je wel horizontaal gaan volgens Archimedes’ wet, die stelt dat een voorwerp dat geheel of gedeeltelijk ondergedompeld is in een vloeistof, een opwaartse kracht ondervindt die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. Het is deze opwaartse kracht die je lichaam met toenemende diepte dwingt om je voeten te lichten. Om te drijven hoef je in kalm water slechts je ledematen te spreiden en als je ze rustig beweegt, zwem je. Als we in water horizontaal gaan, steunt de opwaartse druk ons gehele lichaam. Klopt het dat we ongeveer even zwaar zijn als water? Ja, in horizontale toestand wel, maar als we duiken is ons gewicht verdeeld over een veel kleiner oppervlak als we door het wateroppervlak heen schieten.
In water biedt een groot hoofd geen voor- of nadeel. We zwemmen in een golfbeweging waarbij we afwisselend met ons hoofd onder en boven water komen. We komen boven om te ademen. Als we uit het water komen, kunnen we weer gaan lopen. We bewegen daarbij onze armen om het evenwicht te bewaren en dat doen we nog wel, zeker als we hardlopen, maar we zijn gewend geraakt aan het op land lopen en we zijn er zo goed in geworden, dat we vaak iets in onze handen hebben of die handen in onze zakken stoppen.
Aan de hink-stap-sprong naar de moderne mens gaat een lange aanloop vooraf. Als aanloop stel ik de evolutie van de eerste primaten naar de gemeenschappelijke voorouders van alle boom- of bosmensapen. De hink is dan de afzet in de scheiding uit een groep gemeenschappelijke voorouders van boschimpansees en waterchimpansees. Het water als milieu is de kink in de kabel van de afstammingslijn die de twee groepen scheidt en tot nieuwe soortvorming leidt. Die kink is de link tussen de boschimpansee en de waterchimpansee.
Die nieuwe soort, de stap in de driesprong, categoriseer ik als watermensapen. Dit is een verzamelnaam voor mogelijk een bonte verzameling van troepen watermensapen, die je kunt betitelen als kustaap, kustmensaap, zeemensaap. Er waren in het warme en vochtige Plioceen heel veel soorten mensapen die wijd verspreid waren in de voornamelijk beboste tropische en subtropische delen van de Oude Wereld en één van die soorten was de watermensaap die een andere habitat had en zich in dat waterbad afwijkend evolueerde ten opzichte van de chimpansee in de bomen en alle andere mensapen.
De sprong is de evolutie van de watermensaap naar een mens, die ongeveer samenvalt met de grotendeels aquatische Homo erectus. Dit was het tijdvak, het Pleistoceen, van de watermensaap alias (semi-)aquatische Homo erectus die door veranderingen in de klimatologisch en daarmee natuurlijke omstandigheden gedwongen werd meer en meer een bestaan langs en aan de waterkant op te bouwen.
Van de vroege moderne mens zijn de neanderthalers, de denisova en wij allemaal telgen die zich onderscheidden van Homo erectus door een aanzienlijk groter hersenhoofd. Deze bultkoppen leerden in die tijd vuur te maken en te beheersen. Dit kunstje gaf onze voorouders een voorsprong op alle andere dieren. We gingen heersen en de wereld domineren. We zijn echter wel landlopers geworden die niet zonder drank kunnen. We moeten drinken: anderhalve liter water per dag. Stel je voor, als onze voorouders op de droge, hete savanne hadden geleefd en als een roedel zwetende kale wolven uitputtend op prooidieren hadden gejaagd dan hadden hun nazaten hier en nu, wij dus, veel beter zonder water gekund en was die grasrijke habitat wel wat dichter bevolkt geweest, bijvoorbeeld met diersoorten zoals wij. Het zou immers een goede strategie zijn gebleken om aldus te evolueren, want we zijn als soort uitermate succesvol. Maar wat gebeurt er na de sprong nu we weer met beide voeten op aarde staan?
§ 6 De schepping op de schop
Voordat ik aan de hand van Darwin inga op de vraag waarom wij een fase hebben gekend als watermensaap, vertel ik iets meer over het eerste deel van zijn levensloop om duidelijk te maken hoe deze vriendelijke en bescheiden man tot zijn hemelbestormende evolutieleer kwam. Het revolutionaire van Darwins leer is dat hij de eensklapse schepping door een opperwezen aan de kant schuift en daarvoor in de plaats stelt, dat het leven heel primitief is begonnen met eencelligen en dat dit leven zich een- en meercellig vanuit de modder heeft opgewerkt en zich veelvoudig vertakt heeft. Deze uitwaaiering die vergezeld gaat met selectie, groei, bloei en extinctie heeft geleid tot de huidige veelheid, variatie en diversiteit aan levensvormen. Dit proces is nog steeds gaande; vindt niet volgens plan plaats en dient geen doel dan te leven en voort te leven via nakomelingen. De mens is als middelgroot dier een laatkomer op dit schouwtoneel en is geenszins eindproduct noch kroon op de schepping.
Charles Robert Darwin (Shrewsbury 1809 – Downe 1882) werd geboren als vijfde kind en de jongste van twee zonen van de welgestelde arts Robert Waring Darwin en zijn vrouw Susannah Wedgwood. Zijn grootvader aan vaderszijde was de arts, dichter en filosoof Erasmus Darwin. Erasmus vertaalde het determinatiesysteem van Linnaeus in het Engels. De Zweedse arts en bioloog, die in het Latijn (het Esperanto of de lingua franca van de flora en fauna) de planten en dieren classificeerde, beschreef en benoemde, geloofde in de Schepping; zijn taxonomie getuigt evenwel en onbedoeld van het evolutionaire bouwplan dat erachter stak. De soort mens deelde Linnaeus in bij de zoogdieren en dat was in de 18e eeuw nog een gotspe. Darwins grootvader aan moederszijde was de industriëel Josiah Wedgwood, bekend van het aardewerk. Zijn beide ouders waren weliswaar gelovig, maar meer in de traditie van de natuurlijke theologie en natuurhistorie waarbij gepoogd werd religie en wetenschap te verenigen.
In 1817, toen Charles acht jaar oud was, stierf zijn moeder met als gevolg dat hij vanaf september 1818 naar kostschool ging in zijn woonplaats. Hij toonde van jongs af aan een grote belangstelling voor de natuur. Hij verzamelde altijd al van alles en vooral vogels en insecten hadden zijn belangstelling.
De vader van Charles was een zwaarlijvige en dominante man, die hoopte dat zijn zoon hem als arts zou opvolgen. Hij zorgde ervoor dat Charles medicijnen ging studeren en wel aan de universiteit van Edinburg, Schotland. Zoonlief hield niet van het ontleden van lijken en ontwikkelde een weerzin tegen deze studie vanwege de bloederige operaties op levende patiënten zonder verdoving. Met veel meer genoegen leerde hij dieren opzetten van een vrijgemaakte slaaf uit het toenmalige Brits-Guyana, buurland van Suriname. Deze John Edmonstone maakte de jonge student enthousiast met zijn verhalen over de tropische regenwouden van Zuid-Amerika.
In zijn tweede jaar als student medicijnen in Edinburg werd Darwin lid van een vereniging aan die universiteit die het bevorderen van de studie van natuurlijke historie als doel stelde. Hij raakte meer en meer vertrouwd met de idee van evolutie onder andere via de Franse botanicus Lamarck. Na twee jaar studie medicijnen gaf Charles er de brui aan en keerde hij huiswaarts. Zijn vader vond dat hij niet veel nuttigs uitvoerde en besloot dat Charles dan maar dominee moest worden. Zoonlief zag een pastoraal leventje met veel vrije tijd om in de natuur door te brengen wel zitten en ging aan de universiteit van Cambridge theologie studeren. Daar volgde Charles met veel meer geestdrift dan voor godsdienst de colleges van de hoogleraar botanie Henslow. Hij las de reisverslagen van Alexander von Humboldt over diens avontuurlijke natuurhistorische expedities en realiseerde zich dat dit iets was dat hij het liefste zou doen. Toen Charles in 1831 na drie jaar een graad als bachelor met goede cijfers haalde, wilde hij samen met Ramsay, een mentor uit Cambridge, in het kielzog van Humboldt een reis naar de Canarische Eilanden maken. Helaas overleed Ramsay voortijdig. Wat nu gedaan: een bestaan als plattelandsdominee of alleen gaan?
In augustus van ditzelfde jaar 1831 ontving Darwin van genoemde hoogleraar Henslow in Cambridge een brief die hem wees op de onderzoeksreis die kapitein Fitz-Roy met de HMS Beagle wilde maken. Over vier weken zou hij richting Zuid-Amerika vertrekken en de kapitein wenste een natuuronderzoeker aan boord die hem op de lange reis gezelschap kon houden. ‘Jij bent precies de man die ze zoeken’, schreef Henslow aan Charles om hem over te halen. De 22-jarige Charles was laaiend enthousiast; zijn vader vond het niets. Henslow, hoogleraar geologie Sedgwick en Joshua Wedgwood, een broer van zijn overleden vrouw, haalde de arts over om Charles toestemming te geven voor de reis. Aan boord van de Beagle had Darwin een exemplaar, vers van de pers, van het eerste deel van Principles of Geology bij zich. De schrijver ervan was de Schotse geoloog Charles Lyell (1797–1875). Lyell meende dat de aarde geschapen is door dezelfde natuurlijke processen als die heden ten dage werkzaam zijn en dat dit derhalve een hele langzame en langdurige weg moet zijn geweest. ‘The present is the key to the past’, verkondigde hij. Lyell meende dat goddelijke interventies als deze ‘ene enkele diluviale golf’, zoals hij de zondvloed betitelde, onjuist waren op grond van de opeenvolging van gesteenten in de aardkorst, die demonstreerden dat langzame en langdurige processen hieraan ten grondslag hadden gelegen. Darwin trok deze zienswijze door naar de biologie en realiseerde zich dat aanpassingen als een doorn, een hoorn, een oor, laat staan een levend en bewegend wezen als een kever, een vink, een mens, stap voor stap tot stand komt.
Tijdens die reis met de Beagle rond de wereld (1831-1836) ontving Darwin per zeepost het tweede deel van Principles of Geology en maakte hij met ijzeren discipline talloze aantekeningen terwijl hij de werken van Humboldt en Lyell bestudeerde. Voor het doel van de reis, het natuurhistorisch onderzoek, ging Darwin met een paar bemanningsleden vaak en langdurig aan land op expeditie en dat was een meer dan welkome afwisseling voor de natuurvorser die aan boord vrijwel altijd zeeziek was. Hij verzamelde een enorme collectie aan geprepareerde dieren, gedroogde planten, fossielen die hij naar Engeland op stuurde. De boeken die hij las en de ervaringen die hij tijdens deze reis opdeed, vormden de opmaat voor zijn theorievorming en werden het fundament onder zijn werk. Wil je mee op reis met Darwin en de verwoording van de evolutie van zijn denkwereld? Lees dan De reis van de Beagle [1] met als aanbeveling zijn ontboezeming: “Het succes van mijn eerste literaire vrucht streelt mijn ijdelheid altijd meer dan dat van mijn andere boeken.”
[1] Charles Darwin. De reis van de Beagle; 2004. Met een inleiding van David Quammen die daarin een korte biografie van deze bioloog, natuurlijke historicus, geoloog en geweldige schrijver schetst. Het citaat van Darwin waarmee ik deze paragraaf besluit, is te lezen op pagina XIX.
§ 7 Bedenktijd
Na zijn wereldreis met de Beagle had Darwin reeds op dertigjarige leeftijd zijn denkbeelden met betrekking tot natuurlijke selectie uitgewerkt en verzamelde hij uitgebreid documentatie, correspondeerde hij volop en deed hij veldwerk om zijn theorievorming te ondersteunen. Hij sprak met boeren over de kweek en teeltkeuze van gewassen en dieren. Hij haalde citaten aan om ze te weerleggen of om er dieper op in te gaan en verder te onderzoeken.
In 1839 huwde Charles Darwin zijn nicht Emma Wedgwood. Later dat jaar verscheen het reisverslag van kapitein Fitz-Roy, waarvan Darwins verslag deel uitmaakte. Darwins bijdrage bleek zo populair onder het publiek, dat het later dat jaar als zelfstandig boek uitgebracht werd onder de titel The Voyage of the Beagle. Het zou echter nog twintig jaar duren voor hij het waagde om Het ontstaan van soorten te publiceren.
De overleden moeder van Charles was een zuster van de vader van Emma. Ze deelden dus dezelfde grootvader en dat was Joshua Wedgwood, de fabrikant in aardewerk die bij Charles’ vader een lans brak voor de wereldreis van zijn zoon. Het was in die tijd en binnen het welgestelde milieu waar deze families deel van uitmaakten, lang niet ongewoon dat binnen families gehuwd werd.
Emma zou van tien kinderen bevallen van wie er drie heel jong stierven. Zij was sterk en gezond (1808-1896); haar man vertegenwoordigde het tegendeel. Hij was bang dat hij zijn zwakke gezondheid op hun kinderen had overgedragen. Als jongeman was Charles echter gezond en sportief. Mogelijk had hij tijdens zijn wereldreis een ziekte opgelopen.
Emma las haar man voor als hij ziek en zwak te bed lag. Ze speelde piano voor hem en zij kreeg in 1844 de verantwoordelijkheid en het recht om zijn werk te publiceren in geval haar man mocht overlijden. Hij had zijn theorie over de afstamming met modificatie door middel van natuurlijke selectie beschreven en exemplaren verzonden aan Charles Lyell als eerste; botanicus Joseph Hooker en Asa Gray, een Amerikaanse botanicus als laatste. Lyell was direct enthousiast en wilde dat Darwin dit uittreksel van zijn theorie (230 bladzijden) zou publiceren. Darwin bleef echter terughoudend omdat hij zijn hypothese qua overerving van eigenschappen niet kon bewijzen. Niet elke variatie is een gevolg van natuurlijke selectie of sexuele reproductie. Darwin noemt dergelijke variaties spelingen der natuur. Het zijn echter mutaties in het genetisch materiaal van een organisme. Het begrip mutaties is pas in 1900 door Hugo de Vries gedefiniëerd naar aanleiding van het monnikenwerk van de augustijnse abt Gregor Johann Mendel (1822-1894). Mendel woonde in het Tsjechische deel van het keizerrijk Oostenrijk waar hij proefnemingen deed naar de overerving van eigenschappen van erwten en die uit zouden monden in zijn wetten met betrekking tot de erfelijkheid. De imker, mathematicus, bioloog, meteoroloog, leraar en frater werd met zijn bevindingen waarvan hij kond’ deed in 1865 niet op waarde geschat. Darwin had nog nooit van hem gehoord.
Wat betreft Darwins geloof in een opperwezen? Dat wankelde al tijdens zijn wereldreis met de Beagle. Het verdriet over het verlies van dochtertje Anna op tienjarige leeftijd in 1851 was voor hem onverdraaglijk. Zijn geloof, hoop en vertrouwen in die ene god was weg. Hij noemde zichzelf voortaan agnostisch.
Alfred Russel Wallace (1823-1913) was een groot bewonderaar van de beroemde Darwin en had de Voyage of the Beagle met groot genoegen en als bron van inspiratie gelezen. Hij schreef Darwin over natuurlijke selectie en in 1858 publiceerde hij een artikel over dit onderwerp. Toen realiseerde Darwin zich dat hij niet achter kon blijven en publiceerde datzelfde jaar nog een uittreksel van Het ontstaan van soorten. Het volgende jaar, 1859, verscheen de eerste editie van dit boek. Dankzij zijn gerenommeerde afkomst kreeg de aimabele Darwin veel bijval en publiciteit. Wallace heeft hem dit nooit kwalijk genomen en de twee biologen bleven met elkaar hartelijk corresponderen, ook al waren ze het op verschillende belangrijke punten volkomen oneens.
§ 8 Strijd om het bestaan
De familiebanden over en weer en hun uitgebreide vriendenkring zorgden voor een warm nest. Charles ging veel om met zijn oudere broer Erasmus (1804-1881), die een vrijdenker werd genoemd. Waren zij niet allemaal binnen hun familietraditie vrijdenkers, naturalisten, sociaal bewogen en fervente tegenstanders van slavernij? Erasmus was vernoemd naar hun grootvader (1731-1803), die filosoof, dichter, natuurkundige, botanicus en auteur was en over evolutie een boek, Zoonomia (1774), had gepubliceerd. Charles’ broer was politiek actief. Hij ijverde binnen de sociaal-liberale partij van de Whigs voor hervormingen die erop gericht waren dat de armen niet meer kinderen verwekten dan zij konden voeden en opvoeden. Tijdens Charles’ wereldreis legde Erasmus het aan met de socioloog, filosoof, journalist en auteur Harriet Martineau (1802–1876). Hadden zij een romance? Ze zijn beide ongehuwd en kinderloos gebleven. Harriet Martineau was na koningin Victoria indertijd de beroemdste vrouw van Groot-Brittannië. Zij was met Emma en Charles goed bevriend. Harriet was een voorvechter voor vrouwenrechten, zoals vrij onderwijs voor vrouwen om ze minder afhankelijk van hun echtgenoten te maken. Met het huwelijk als instituut had zij geen affiniteit. De grote sterfte onder zuigelingen en barende moeders, vooral vanwege de slechte hygiëne, was uiteraard niet alleen haar een gruwel. Zij werd met de grondslag van het idee van geboortebeperking gevoed door Thomas Robert Malthus (1766-1834). Deze Engelse econoom publiceerde in 1798 An Essay on the Principle of Population waarin hij stelt dat de menselijke bevolking exponentiëel (meetkundig) zou toenemen en die van de voedselproductie lineair (rekenkundig) met als consequentie dat de voedselproductie hopeloos achter zou blijven bij de groei van de bevolking met hongersnoden, epidemische ziekten en oorlogen als reactie om dit evenwicht weer te herstellen. Zowel Wallace als Darwin en ik denk nog vele anderen, pasten deze discrepantie die tot een verbeten strijd om het bestaan leidt, toe op de planten- en dierenwereld om te concluderen dat deze strijd tot het proces van natuurlijke selectie leidt.
Uit de inleiding van Het ontstaan van soorten (p. 25; editie uit 1872, zie voetnoot 3 bij paragraaf 3): ‘Aangezien van elke soort veel meer individuen worden geboren dan mogelijkerwijs kunnen blijven leven, en aangezien er dientengevolge telkens opnieuw strijd om het bestaan moet worden geleverd, spreekt het vanzelf dat een willekeurig levend wezen, als het ook maar een klein beetje op profijtelijke wijze afwijkt, onder de complexe en soms variërende omstandigheden des levens een grotere kans heeft om te blijven leven en aldus langs natuurlijke weg zal worden geselecteerd. Door het krachtige principe van de overerving zal elke geselecteerde variëteit ernaar streven om zijn nieuwe en gemodificeerde vorm te verspreiden. Door het krachtige principe van de overerving zal elke geselecteerde variëteit ernaar streven om zijn nieuwe en gemodificeerde vorm te verspreiden.’
Darwin gelooft in een gemeenschappelijk bouwplan ten aanzien van het leven vanwege de ontstaansgeschiedenis en de gemeenschappelijkheid die we delen, maar men zou evengoed kunnen zeggen (p. 314): ‘…dat de natuur zich verlustigt in het opeenstapelen van tegenstrijdigheden teneinde het fundament te slopen onder de theorie dat er vroeger harmonie heeft bestaan tussen de in- en uitwendige wereld.’
Darwin geeft ruiterlijk toe dat hij de uitdrukking Survival of the Fittest ontleent aan de latere sociaal-darwinist Mr. H. Spencer nauwkeuriger en toepasselijker vindt. Goed sociaal gedrag, altruïsme en schoonheid qua zang, dans en verenpracht kunnen ook tot die beste toerusting behoren om te overleven. Bloemen verleiden vlinders en bijen met hun kleur, geur en vorm voor hun voortplanting. Mensen doen mee met die kruisbestuiving bij bloemen. Andere dieren en planten hebben een specialisatie als beste uitrusting. Het gezegde ‘het recht van de sterkste’ ben ik bij Darwin nergens tegengekomen.
Afgezien dat de meeste dieren ongeveer dezelfde smaak qua kleur en muziek hebben, is er nog een kenmerkende eigenschap van mens en dier waaruit blijkt hoezeer wij gelijken (p. 92): ‘Strijd om het bestaan is het felst tussen individuen en variëteiten van dezelfde soort.’ En op p. 370: ‘De concurrentie zal, …, doorgaans het felst zijn tussen de vormen die in alle opzichten het meest op elkaar lijken. … Zodra we even uit het oog verliezen dat elke soort ernaar streeft om buitensporig in aantal toe te nemen, en dat er altijd een beperkende factor actief is, die wij echter zelden opmerken, dan wordt de hele natuurlijke huishouding voor ons totaal onverklaarbaar.’
Darwin gelooft niet in ‘de’ zondvloed of in missing links, zoals die tussen aap en mens waar naarstig werd gezocht. Op de laatste pagina (p. 525) schrijft hij: ‘Aangezien alle huidige levensvormen rechtstreeks afstammen van vormen die ver voor het Cambrium leefden, kunnen we er zeker van zijn dat de keten van de afstamming nooit is onderbroken, en dat het leven niet verwoest is door een overstromingsramp.’ Darwin besluit Het ontstaan van soorten met een conclusie die hij, denk ik, deelt met zijn vrouw Emma of op haar voorspraak vermeldt (p. 525): ‘En zo komen rechtstreeks uit de oorlog in de natuur, uit honger en de dood, de meest verheven voorwerpen voort die we ons kunnen voorstellen, namelijk de hogere dieren. Er is grandeur in deze kijk op het leven, met zijn verscheidenheid aan krachten, die oorspronkelijk door de Schepper zijn ingeblazen in een paar vormen, of in één vorm. En terwijl de aarde volgens de onwrikbare kracht van de zwaartekracht om zijn as bleef draaien, zijn uit dit simpele begin zonder einde de prachtigste en wonderbaarlijkste vormen geëvolueerd, en ze evolueren nog steeds.’
§ 9 De afstamming van de mens…
In 1871 verscheen van Charles Darwin zijn tweede meesterwerk met bovenstaande titel in de Nederlandse taal[2]. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit boek omstreden was voor het overwegend christelijke, westerse, blanke, paternalistische, koloniserende, reactionaire establishment, kortom de elite met hun volgelingen in hiërarchische pikorde. Daarom is zoveel mogelijk getracht dit werk te negeren. Tja, we stammen allemaal af van apen, boomapen, uit Afrika nota bene! Keizers, koningen, de paus: ze kunnen zich niet beroepen op iets goddelijks als afkomst, maar stammen net als wij af van apen en moeten ook gewoon poepen. Wat verbeelden die vorsten met hun koninklijke gevolgen zich wel? Waar halen ze het recht vandaan om hun soortgenoten te onderdrukken? Door ze met die koninklijke gevolgen de kop in te drukken.
Met betrekking tot de afstamming van de mens meent Darwin op grond van lichamelijke overeenkomsten dat chimpansees en gorilla’s de naaste verwanten van de mens zijn en leidt uit ‘de wetten der geografische spreiding’[i 199] af dat onze voorouders evenals deze mensapen uit Afrika stammen. We delen dus dezelfde gemeenschappelijke voorouders, maar hoe en wanneer we uit elkaar gingen, daar doet Darwin geen uitspraken over, want dat weet hij niet. De evolutiebioloog schrijft nergens over de mogelijkheid van een aquatische achtergrond van de mens. Dat de voorouders van de mens van de savanne zou stammen kun je hem echter evenmin aanwrijven. Als je echter net als Darwin de wetten der geografische diversie in acht neemt, dan zijn bewoners van een bepaalde habitat gebonden aan die habitat oftewel gevangen in die habitat, ook al is die enorm groot qua afmetingen. Afrika was in het Pleistoceen een afwisselend nat, maar de meeste tijd een droog continent, maar dit immense landoppervlak met enorme verschillen in hoogte, temperatuur en neerslag, omspoeld door twee wereldzeeën en de Middellandse Zee, was uiteraard niet enkel en alleen savanne. De meeste apensoorten in Afrika zijn boomapen. De savanne is geen habitat voor apen, ook niet voor mensapen, toen niet en nu niet, waarom dan wel voor onze voorouders?
Ik spreek in het vervolg graag en vaak van watermensapen ter onderscheid van de boom- of bosmensapen. De scheiding tussen onze naaste verwante gemeenschappelijke voorouder van boomchimpansee en waterchimpansee vond ergens tussen de tien en zes miljoen jaar geleden aan het eind het Mioceen plaats. Het Plioceen is het tijdvak van de watermensaap. Het Pleistoceen is het tijdvak waarin de watermensaap alias de soort Homo erectus zijn aquatisch bestaan en habitat via een semi-aquatisch bestaan steeds meer inruilt voor een bestaan aan en op land.
Hoe onze vermeende voorouderlijke mensapensoorten zich tot elkaar verhouden qua afstamming, is onduidelijk. We spreken pas vanaf Homo als blijkt dat we met een rechtop lopende soort te maken hebben die een significant grotere herseninhoud heeft dan de chimpansee en die qua afstamming min of meer op één lijn ligt met de moderne mens. Homo habilis, de handige mens, verscheen aan het begin van het Pleistoceen in Oost-Afrika en had een herseninhoud die een derde groter was (ca. 600 cc) dan die van Australopithecus en de huidige chimpansee. Vanwege zijn korte benen en lange armen leek hij meer op een boommensaap en qua handigheid bevond hij zich op een niveau als dat van een chimpansee. Vanwege die grotere hersenen en de toenemende gelijkenis met een mensachtige in de afstammingslijn, spreken we van Homo. De soort leefde van 2,3 tot 1,5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika en was een stuk kleiner dan Homo erectus, die een lengte van 1,85 meter bij mannen en 1,55 meter bij vrouwen kon bereiken. De hersencapaciteit van Homo erectus groeide mee met de lichaamsomvang en besloeg 1000 cc onder zijn veel grotere schedeldak. Zijn oorsprong vanaf circa twee miljoen jaar geleden betrof hetzelfde gebied als H. habilis, maar de soort verspreidde zich over de hele Oude Wereld. In hoeverre habilis en erectus verwant waren en of habilis te bestempelen is als Homo, is bron van discussie en speculatie.
De soort Homo erectus of watermensaap is een voorouder van de moderne mens, maar het is wel een zeer diverse soort met verschillende ondersoorten. Evolutionair gezien, dus qua overleving van de soort in tijd, was het een zeer succesvolle soort. Met een herseninhoud die stapsgewijs groeide naar een liter, ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden, spreidden deze voorouders zich vanuit Afrika over een groot deel van Eurazië uit. In China werden de fossielen van de Peking-mens opgegraven en in Indonesië die van de Java-mens. Juist vanwege deze spreiding dicht ik de soort een aquatische achtergrond toe die geleidelijk aan minder aquatisch werd.
Darwin vroeg zich af waarom mensen en mensapen zoveel van elkaar afwijken. Hij stelt dat de grote verschillen tussen mens en mensapen een gevolg zijn van de veel grotere hoeveelheid modificaties (veranderingen, aanpassingen), die de mens heeft ondergaan ten opzichte van deze apen. Dat is de spijker op de kop. Die aanpassingen tijdens de evolutie van een boommensaap via een watermensaap naar Homo sapiens gingen met allerlei lichamelijk ongemakken vergezeld. Je kunt die sporen van tekortkomingen ‘littekens’ noemen. Ik heb deze beeldspraak van een van de boeken van Elaine Morgan, getiteld Scars of Evolution (1990) gebruikt. Die titel heeft Sir David Attenborough gegeven aan een tweedelig radio-programma dat hij presenteerde met als onderwerp The Aqutic Ape Hypothesis (uitgezonden in 2005 op BBC 4).
Die modificaties hebben oorzaken die in de afstammingslijn terug te vinden zijn. De eerste modificaties zijn het belangrijkst want een levend wezen borduurt vaak voort op de ingeslagen weg en veroorzaakt nieuwe veranderingen. Een voorbeeld daarvan is dat alleen de mens een tweevoeter is geworden. Vanwaar deze modificatie? Boommensapen gebruiken hun handen en hun voeten bij het slingeren aan lianen en het klimmen en klauteren in de bomen. Darwin noemt ze daarom vierhandig. De mens als voormalige verwante boommensaap kun je dan toch een dubbelhandige tweevoeter noemen?
[2] Charles Darwin. De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse.Vert. (door Ludo Hellemans) vanThe Descent of Man, and Selection in Relation to Sex;1871. Uitg.: Nieuwezijds, Amsterdam; 2002. Dit e-boek is via de website van de uitgeverij gratis te downloaden en te lezen. De cursieve tekst in de volgende paragrafen heb ik met paginanummers die beginnen met i en ii uit deze download overgenomen.
§ 10 Dubbelhandige tweevoeters
De vingers van onze handen zijn zeer verfijnd. We kunnen een toetsenbord bedienen, een draad door het oog van een naald schuiven, een muziekinstrument bespelen en we kunnen onze delicate fikken aflikken als we van een delicatesse smullen. De toppen van onze vingers zijn de finishing touch van onze handen die op hun beurt de sluitstukken van onze armen zijn. Voor het onvolprezen gebruik van onze handen is het noodzakelijk dat het bovenlichaam met de armen vrij is. Voor deze bewegingsvrijheid hebben onze voorouders voldaan aan voorwaarden als een breder bekken om het gewicht van het bovenlichaam te dragen, stevig op de platte voeten staan waar het lichaam op kan steunen teneinde te kunnen bewegen en het hoofd in een positie houden die je nergens anders in het dierenrijk aantreft.
‘Het is in overeenstemming met het principe van de verdeling van fysiologische arbeid, dat in het gehele dierenrijk heerst, dat, toen de handen werden geperfectioneerd voor het grijpen, de voeten geperfectioneerd zouden worden voor ondersteuning en voortbeweging,’ aldus verklaart Darwin de handvaardigheden van de mens ‘die zo bewonderenswaardig aangepast zijn om gehoorzamend aan zijn wil te handelen’[i 141]. Ja, die wil waaraan de handen gehoorzamen, dat slaat toch ook op de bosmensapen die Darwin vierhandig noemde?
De grootte van die hersenen in verhouding tot ons lichaam en in vergelijking met de mensapen duidt volgens Darwin op een groei die bij de mensapen achter is gebleven ten opzichte van die mens. Je kunt even onjuist stellen dat de op knokkels lopende mensapen achter zijn gebleven bij de geërecteerde houding van de mens. Op je knokkels lopen is, zoals ik eerder heb getracht aan te tonen, geen tussenfase voor een verticale houding en voortbeweging, zoals bij de mens. Mensapen voldoen domweg niet aan de voorwaarden om rechtop te lopen vanwege de onmogelijkheid ervan. Die verticale houding van de mens is immers een vereiste voor een groot en zwaar hersenhoofd, anders breek je je nek. Je gaat niet rechtop lopen om miljoenen jaren later een groter hoofd te krijgen waardoor je slimmer blijkt te kunnen worden. Onze voorouders gingen miljoenen jaren geleden rechtop lopen, maar een groot hoofd met een explosie van hersencapaciteit en de potentie tot intelligentie, dat is iets van het laatste half miljoen jaar.
Darwin maakt deze zelfde inschattingsfout als hij het heeft over het voordeel van een nadeel [i 157]: ‘Het kan daarom een immens voordeel voor de mens zijn geweest om te zijn voortgekomen uit een betrekkelijk zwak schepsel. De geringe lichaamskracht van de mens, zijn geringe snelheid, zijn gebrek aan natuurlijke wapens, &c., worden meer dan gecompenseerd, ten eerste door zijn intellectuele vermogens, met behulp waarvan hij, terwijl hij nog in een barbaarse staat verkeerde, voor zichzelf wapens, werktuigen, &c., vervaardigde, en ten tweede door zijn sociale kwaliteiten die hem ertoe brachten hulp te bieden aan zijn medemensen en hulp terug te krijgen.’
Het was noodzaak deze tekortkomingen, deze nadelen te overwinnen om te overleven en dat deden die mensapen door in de bomen te klimmen en als alternatief het water in te duiken. Dit alternatief is gaan overheersen. Gezien onze karige lichaamsbeharing in combinatie met en ter compensatie van ons onderhuids vet, zijn we een watermensaap geweest. Onze afwijkende manier van voortbewegen, lichaamsbouw, lichamelijke eigenschappen en handigheid getuigen hier nog steeds van. Pas daarna kwamen die intellectuele vermogens tot groei. Deze denkfout in chronologische volgorde qua intellect van Darwin wordt nog steeds gemaakt. We zouden beter moeten weten. We werden toch slimmer, handiger, anders zouden we na dit aquatische en semi-aquatische bestaan op land niet kunnen overleven. En we zouden ons weer kunnen aanpassen als het moet en de drie bestaanswijzen als boommensaap, landloper en watermensaap kunnen afwisselen en toepassen. We zijn die kunstjes verleerd, maar we zouden ze weer kunnen leren.
§ 11 Sapiens
Ik zit met het boek van Yuval Noah Harari voor mijn neus. Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid[3] luidt de titel. Dat is een kolfje naar mijn hand. Dan lees ik tot mijn opperste verbazing op bladzijde 13: ‘Onze nauwste levende verwanten zijn onder andere chimpansees, gorilla’s en orang-oetans. De chimpansees staan het dichtst bij ons. Nog maar zes miljoen jaar geleden kreeg een vrouwelijke mensaap twee dochters. Eentje werd de voorouder van alle chimpansees, de andere is onze eigen grootmoeder.’ Eva! De genenpoel is te klein met één Eva, ook al heeft ze twintig kinderen gebaard van twaalf verschillende vaders. Wij zijn dan allemaal een product van incest. Dit niet-levensvatbare product zou wel een verklaring kunnen geven voor het ernstig afwijkende gedrag van de mensensoort. Nou ja, chimpansees vertonen een evenzeer afwijkend gedrag ten opzichte van andere apen. Hadden zeker eveneens een Eva, een andere Eva, als oermoe. Geldt zeker ook voor de zebra’s en zeboes. Harari is geen aanhanger van enige godsdienst, dus dan vraag ik me toch af waarom de wereldberoemde historicus met deze achterhaalde oud-testamentaire verklaring komt.
Op pagina 16 geeft hij informatie die op mij een stuk sympathieker overkomt omdat die past bij een gedeeltelijke aquatische achtergrond met toen al een groot hoofd als duikgewicht: ‘…dat mensen uitzonderlijk grote hersenen hebben in vergelijking met andere dieren. Zoogdieren met een gewicht van zestig kilogram hebben een gemiddelde herseninhoud van tweehonderd kubieke centimeter. De eerste mannen en vrouwen hadden tweeëneenhalf miljoen jaar geleden hersenen van rond de zeshonderd kubieke centimeter. Moderne sapiens houden er hersenen van gemiddeld twaalfhonderd tot veertienhonderd kubieke centimeter op na. Neanderthalhersenen waren nog groter.’ Maar dan op de volgende pagina: ‘… Mensen hevelden energie van biceps over naar neuronen. Het is bij lange na geen uitgemaakte zaak dat dit een goede strategie is om te overleven op de savanne. Een chimpansee kan geen debat winnen van een Homo sapiens, maar de mensaap kan de mens wel aan stukken scheuren als een lappenpop.
Tegenwoordig komen onze grote hersenen prima van pas, want we kunnen auto’s produceren en geweren,… (…) Meer dan tweemiljoen jaar lang bleven de neurale netwerken van mensen almaar groeien, maar los van een paar vuurstenen messen en scherpe stokken had de mens daar verdomd weinig profijt van. Wat was dan de motor die de evolutie van dat gigantische menselijke brein tweemiljoen jaar geleden lang aanjoeg? Om heel eerlijk te zijn weten we dat niet.’
Allemaal helemaal juist op een aanname na. De Israelische futuroloog (1967) stelt dat de mens van de savanne stamt en concludeert dat dat eigenlijk niet kan. Wat moeten we immers met die betrekkelijk grote en langzaam groeiende hersenen met de potentie om te denken op de savanne? Hij gaat uit van een vooronderstelling en op grond daarvan trekt hij ‘heel eerlijk’ de conclusie dat ‘wij’ het antwoord niet weten. Tja, als je al begint met een verkeerde hypothese, dan krijg je die motor van de evolutie nooit en nergens aan de praat. Je moet de hypothese verwerpen en een andere hypothese voorstellen, zoals deze: ‘De savanne is niet de grond waar de mens ontstond; onze voorouders zwommen liever rond. Dat onderscheidde hen van de chimpansees. Daar scheidden de wegen van onze gemeenschappelijke voorouders.’Harari zou een boek als Sapiens moeten herschrijven, maar dan met als aanname of uitgangspunt dat wij mensen een gedeeltelijke aquatische achtergrond hebben.
Die motor die ‘de evolutie van dat gigantische menselijke brein tweemiljoen jaar lang aanjoeg’, werd pas de laatste half miljoen jaar explosief groter. Als Homo erectus ging dit anderhalf miljoen jaar veel geleidelijker en als gevolg van de geërecteerde houding van de mens niet als handicap, maar als radiator en/of mede als duikgewicht. Misschien werd het wel aantrekkelijk gevonden ter onderscheiding van de mensaap. Dat veel grotere hoofd werd als eerste aangetroffen bij de neanderthalers, dus je zou kunnen denken aan een ijstijd en om daar toen als naakte aap te overleven heb je een vuurtje nodig. Vuur is de motor.
Als aanbeveling citeer ik de schrijver nog eenmaal: ‘In weer andere gevallen worden bepaalde theorieën zo consequent ondersteund door de beschikbare bewijzen dat alle alternatieven allang zijn afgevallen. Zulke theorieën worden als waarheden beschouwd, hoewel iedereen weet dat ze moeten worden aangepast of verworpen als er nieuwe bewijzen komen die een theorie weerspreken. Goede voorbeelden zijn de theorie van de plaattektoniek en de evolutietheorie’ (p. 273) en, voeg ik eraan toe, de hypothese van de evolutie van de watermensaap alias Homo erectus naar Homo Sapiens.
[3] Yuval Noah Harari. Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid. Or Yehuda; 2011. 43e dr. 2020. Uitg.: Thomas Rap. Oorspr. titel: From Animals into Gods. A Brief History of Humankind.
§ 12 De naakte mensaap
Dat de mensen juist een weelderige haarbos op hun hoofd hebben, dient samen met de schedel ter bescherming en isolatie van dat zachte brein tegen de zon. Het bloed in de hersens moet natuurlijk niet gaan koken. Vanaf het begin van hun aquatische bestaan tot op heden steekt het bolletje het meest boven water als die mens of watermensaap wandelt, waadt, baadt en ademhaalt. Een bos haar biedt bovendien schaduw op die knikker in open water en als een bladerdak van bomen ontbreekt. Heb je daar geen haar, dan kun je zelfs een zonnesteek oplopen. Je kunt om dat te voorkomen een hoofddeksel op je kruin zetten of een parasol hanteren als je dat opperste hoofd onbedekt laat.
Darwin schrijft over de naaktheid van zeezoogdieren waarmee ze makkelijk door het water glijden en die dankzij een dikke laag blubber in plaats van een pels beschermd zijn tegen warmteverlies. Olifanten en neushoorns zijn bijna haarloos, maar beschikken over onderhuids vet, daarom de benaming dikhuiden, en zeker olifanten kunnen goed leven en voortbewegen in water. In koude streken en tijden geraken olifanten behaard, getuige de wolharige neushoorns in ijstijdelijke oorden, die van neushoorns afstammen. [i 148]:‘Mogen we dan concluderen dat de mens van haar is ontdaan, omdat hij oorspronkelijk in een of ander tropisch land heeft gewoond?’ Darwin denkt van niet vanwege de verdeling van de beharing over ons lichaam. De kruin van het hoofd is bij ons bekleed met haar en dat komt overeen met de meeste dieren waar de meest aan de zon en de lucht blootgestelde delen van het lichaam het dikst bekleed zijn met haar. Door zijn verticale houding is de schedel van de mens het meest blootgesteld aan de weerselementen. De verdeling van de spaarzame beharing over het menselijk lichaam, vooral bij vrouwen, doet Darwin vermoeden dat onze voorouders viervoetig waren, dus toen we nog boomapen waren. Wij ontberen een staart en dat is in overeenstemming met onze naaste verwanten, de mensapen, dus daar hoeven we ons het hoofd niet over te breken. Dat ligt in de lijn der verwachtingen bij afstamming van de laatste gemeenschappelijke voorouders. Wij zijn echter wel de enige (mens-)apensoort en een van de weinige zoogdiersoorten die vrijwel onbehaard zijn. Hoe kan dat? Waar treffen we, afgezien van op onze kruin, bij mensen de meeste beharing aan?‘Daar waar alle vier de ledematen zich met de romp verenigen’[i 149], schrijft Darwin treffend en omzichtig. Als we rechtop lopen, zijn deze plekken door die beharing goed beschermd tegen de straling van de zon. Overdreven goed beschermd, zeker onder de oksels, want niet zo functioneel toch? De vrouwelijke schaamdelen behoefden misschien wel enige bescherming tegen de zon toen we nog grondapen waren en we ons met onze handen en voeten op de grond als viervoeters voortbewogen. Maar als we grond- of boomapen waren, hadden we onze vacht niet verloren. Wat schrijft Darwin? Het feit dat alle apen, die [i 148]: ‘warme streken bewonen goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is op het bovenste oppervlak, staat in duidelijk contrast met de veronderstelling dat de mens naakt is geworden door de werking van de zon. Ik ben geneigd te geloven, zoals we onder seksuele selectie zullen zien, dat de mens, of liever in eerste instantie de vrouw, van haar werd ontdaan voor ornamentele doeleinden; en naar deze overtuiging is het niet verbazingwekkend dat de mens zo sterk in beharing verschilt van al zijn lagere broeders, want kenmerken die zijn verworven door seksuele selectie verschillen bij nauw verwante vormen vaak in buitengewone mate.’
Sexuele selectie speelt zeker een grote rol, maar de oorzaak van die naaktheid houdt verband met de onderhuidse opslag van vet die functioneel was en een adaptatie aan een aquatisch bestaan was. Nog een adaptatie die getuigt van een aquatisch bestaan is de stroomlijning van menselijke lichaamsbeharing; bij mannen ogenschijnlijk meer dan bij vrouwen, maar dat is omdat mannen in het algemeen meer zichtbare lichaamsbeharing hebben. Functioneel is aantrekkelijk. De vrouw beschikt over wat meer onderhuids vet die behalve als reserves en warmte-isolatie in het toch al warme water vooral een ornamenteel oogmerk dienen: de geroemde vrouwelijke rondingen.
§ 13 … en selectie in relatie tot sekse
In het dierenrijk gaat, als de geslachten qua uiterlijk van elkaar verschillen, het vrouwtje meestal meer gelijken op de jongen van haar eigen soort en op de andere leden van dezelfde kunne. Het streven van vrouwen om op jonge meisjes te lijken kan een bijkomstige reden zijn en een verklaring geven voor de evolutie van minder beharing bij vrouwen. Op dit proces van juvenilisatie kom ik in een van de volgende paragrafen terug. Vrouwen helpen de natuur bij dit fenomeen een handje door de oksels te ontharen; een curieus modeverschijnsel eigenlijk, paradoxaal bovendien, want dat er een donsje haar in de oksels groeit, is sexueel geëvolueerd omdat het een intiem lichaamsluchtje vasthoudt. Juvenilisatie heeft de sexuele selectie in de modieuze strijd om het bestaan overtroffen.
In tegenstelling tot vrouwen gaan mannen meer van elkaar verschillen dan vrouwen onderling. Als ogenschijnlijk onschuldig en opvallend voorbeeld van verschillen tussen mannen kunnen we de gezichts- en lichaamsbeharing nemen. De waardering voor weinig of veel beharing of baardgroei hangt samen met de sexuele voorkeur binnen een groep mensen en kan per nabijgelegen gebied of eiland radicaal verschillen. Beharing kunnen watermensapen en de naakte mensen als lelijk beschouwen en zeker in gebieden waar behaarde mensapen rondlopen extra negatief beoordeeld worden. Wij willen niet op chimpansees gelijken vanwege de gelijkenis. We willen ons juist onderscheiden van die onbeschaafde apen. Sexuele selectie is een kwestie van smaak en betreft voor- en afkeur. Via sexuele selectie wordt een proces van schismogenese ingezet. Kun je sexuele diskwalificatie noemen en in het verlengde daarvan discriminatie met de slavernij als extreme vorm.
Darwin geeft voorbeelden van sexuele voorkeur met betrekking tot beharing in het gezicht: ‘In de Pacific hebben de bewoners van de Fiji-archipel grote ruige baarden, terwijl die van de niet ver gelegen archipels van Tonga en Samoa baardeloos zijn; maar deze mensen behoren tot verschillende rassen. In de Ellis eilandengroep behoren al de bewoners tot hetzelfde ras; toch alleen op een enkel eiland, namelijk Nunemaya, hebben de mannen prachtige baarden; terwijl op de andere eilanden zij, als regel, in plaats van een baard slechts een dozijn verspreid groeiende haren hebben’ [ii 322].
Mannen worden wel vaak kaal op hun hoofd; vrouwen behouden veeleer hun weelderige haardos. De functie van een vacht bij apen op het land en in de bomen is dat zuigelingen zich daaraan vast kunnen houden. De lange haren van een vrouw dienen deze zelfde functie op het land, in de bomen en in open water als ze met een baby op haar rug of buik ronddrijft en zwemt.
Darwin laat meerdere malen andere deskundigen aan het woord. Een voorbeeld met betrekking tot huidskleur [ii 346]: ’Wat betreft kleur, de negers plaagden Mungo Park met de blankheid van zijn huid en het uitsteken van zijn neus, hetgeen zij beiden beschouwden als ‘afzichtelijke en onnatuurlijke gesteldheden’. Als antwoord prees hij het gitzwarte glimmen van hun huid en de bekoorlijke platheid van hun neuzen; dit was, zo zeiden zij, ‘honey-mouth’ [vleierij – vert.], niettemin gaven zij hem te eten. Ook de Afrikaanse Moren ‘fronsten hun wenkbrauwen en schenen te rillen’ bij de blankheid van zijn huid. Op de oostkust riepen de negerjongens, toen zij Burton zagen, uit: ‘Kijk eens die blanke man; ziet hij er niet uit als een witte aap?’ Op de westkust, zo deelt Dhr. Winwood Reade mij mee, bewonderen de negers een zeer zwarte huid meer dan een met een lichtere tint. Maar hun afschuw van blankheid kan, volgens dezelfde reiziger, gedeeltelijk worden toegeschreven aan het geloof dat de meeste negers erop nahouden dat demonen en geesten wit zijn.’
De watermensapen wisten instinctief dat ze verwanten zijn van de bosmensapen van wie ze afstammen, al wilden ze er niet van weten. Daarom veronderstel ik dat die evolutie heeft plaatsgevonden in een betrekkelijk geïsoleerd gebied ten opzichte van de andere mensapen. De groep mensapen die een bestaan in en rond het water hadden, pasten zich lichamelijk aan in die nieuwe habitat. Neem het woord betrekkelijk letterlijk: de twee groepen wisten van elkaars bestaan en maakten ruzie met elkaar waardoor ze steeds meer van elkaar gingen verschillen om te laten zien dat je vriend of vijand was.
Wij weten instinctief nog steeds dat wij van mensapen afstammen. Van onze uitgestorven verwante neanderthalers veronderstellen wij bijna instinctief dat zij meer op apen lijken, dus dom (want voorouderlijk en uitgestorven!), sterk en zwaar behaard terwijl het tegelijkertijd een gotspe was om te veronderstellen dat wij van apen afstammen.
§ 14 De keerzijde van de hersenpan
Waarvoor diende dat grote hoofd? Een aardige hypothese is de radiatortheorie van Dean Falk.
Een groot hoofd dient onder andere om warmte af te voeren, stelde deze Amerikaanse neuro-antropologe. Ik ben haar naam en hypothese tegengekomen in De rivier die tegen de berg op stroomt; een reis naar de oorsprong van de aarde en de mens (1991) van William H. Calvin. Deze Amerikaanse neurobioloog maakte in dit boekhet verband tussen de wateraap van Elaine Morgan en deze radiatortheorie voor mij aannemelijk. Dat verband legde Dean Falk[4] niet; ik ga dat wel proberen.
Ik begin met de uitleg van Rik Smits zoals hij deze hypothese beschreven heeft in zijn boek Dageraad; Hoe taal de mens maakte; 2009 (p. 130 en 131): ‘Ook al is lang niet iedereen het erover eens, er blijft uiteindelijk maar één verklaring over die op zijn minst een beetje hout snijdt. Dat is die van de Amerikaanse antropologe Dean Falk. Zij keek naar het grote aantal foramina, dunne buisjes waarmee de schedels van mensen en hun voorlopers vanaf het begin van de hersenexplosie doorspekt zijn. Door die buisjes lopen bloedvaatjes. Falks gedachte is dat het stelsel van bloedvaatjes dat via de foramina bloed naar de hoofdhuid en weer terug naar de hersenen voert, werkt als een radiator. Met dat stelsel kon de temperatuur van de hersenen veel nauwkeuriger binnen nauwe grenzen gehouden worden dan daarvoor, en temperatuur luistert nauw bij hersenweefsel. Zonder extra koeling zouden grotere hersenen dan die van Lucy diep van binnen te warm worden, maar dankzij de verbeterde koeling kon het brein vrijuit gaan groeien.’
In overeenstemming met die bultkop van mensen werkt de lange nek bij giraffes als radiator. Die langnekken zijn geëvolueerd opdat ze de blaadjes boven in de doornige acacia kunnen eten, aldus Lamarck. De Franse botanicus stelde in zijn evolutietheorie, gepubliceerd in Philosophie zoologique (1809), dat het al of niet gebruiken van bepaalde kenmerken ervoor zorgt dat ze verder ontwikkeld worden of juist verloren raken. Die lange nekken hebben als emergente eigenschap ofwel als onbedoeld bijgevolg, dat warmte en energie via die lange nekken kan worden afgevoerd. Mannetjes nekworstelen met elkaar om dominantie, om dames te imponeren en om energie en warmte af te voeren. Die dames vinden lange nekken ook wel aantrekkelijk, maar ze krijgen dan wel te kampen met een minder vurig mannetje. Vinden ze niet erg.
De sexy slurf van een olifant dient eveneens voor de afvoer van warmte en ventilatie van zijn grote lichaam via zijn oliebol. Die slurf is bovendien een fijnzinnig en fijngevoelig lichaamsdeel dat je intelligent en sensitief kunt noemen vanwege belangrijke bijkomende functies, dus niet alleen als neus om te ruiken, maar ook als trompet om je over grote afstanden hoorbaar te maken; als extra arm met de snuit als handje om eten mee naar de bek te brengen; als extra staartje waarmee hij de beestjes voor haar ogen wegwaait en zwaait en als zij zwemt, gebruikt ze de slurf als snorkel om adem te halen.
De grote oren van een woestijnvos zijn eveneens enigszins intelligent omdat ze dienen om goed te kunnen horen, top zijn voor ventilatie en afvoer van warmte en mede daarom aantrekkelijk zijn voor woestijnvossen van de andere kunne. De makke van de radiatortheorie bij de mens betreft het gebrekkige causale verband: slechts één oorzaak met één gevolg. Het lichaamsoppervlak dat blootgesteld was aan de zon werd dankzij die rechtop gaande houding beperkt. De keerzijde van dit voordeel was dat het onvermijdelijk noodzakelijk werd om de top van het lichaam dat de meeste zonnestralen te verduren krijgt, tegen oververhitting te beschermen. De dichte haargroei op de keiharde schedel het hoofd is een duidelijk voorbeeld ervan. Vrijwel alles heeft meer dan één oorzaak, zoals één oorzaak meerdere gevolgen heeft. Daarom ga ik aan de hand van de gevolgen op zoek naar meer oorzaken.
Dat moeilijk te verklaren ‘waterhoofd’ biedt, behalve als radiator, schoorsteen, ventilator of thermostaat nog een ander leuk voordeel: we kunnen er voortreffelijk mee in het water duiken. Plat duiken is pijnlijk, daarom trachten we ons lichaam verticaal te houden als we in het water duiken. We duiken met het hoofd naar beneden. We zouden een steen in onze handen kunnen houden of in het zwembad op enige hoogte gaan staan om diep te duiken. We krijgen dan met dank aan de zwaartekracht meer snelheid waardoor we snel naar grote diepte kunnen schieten. Als de grootte van onze hersenen mogelijk gemaakt en beperkt wordt door de omvang van de schedel, hoe wordt de gestroomlijnde vorm dan bepaald? Door dat waterhoofd als duikgewicht!
Er zijn vogels die vanuit de lucht als een pijl hun snavelbek achterna het water in schieten. Eenden duikelen: een koddig gezicht is dat als ze met hun achterste boven water waggelen terwijl ze met hun snavelbek de bodem van het watertje begrazen. Kikvorsen duiken en zwemmen naar de diepte zoals wij dat doen. Een zeezoogdier als een potvis duikt net zoals wij recht naar beneden, maar die heeft geen aanloopje of een duikplank nodig, want deze walvis bezit een nog veel grotere en zwaardere plompe ronde pot als kop dan wij. Behalve met acht kilo aan hersenen is dat vat gevuld met een paar duizend liter walschot. Op dit grootste roofdier ter wereld ooit is hevig jacht gemaakt vanwege deze vet- of wasachtige stof waar vroeger kaarsen van gemaakt werden. Met deze licht vloeibare substantie als duikgewicht voorop in de kop bereikt dit dier diepten van ruim twee kilometer. Het reusachtige dier met zijn kleine oogjes en een spuitgat in zijn bultkop waarmee het als levensvoorwaarde in contact staat met de luchtwereld, duikt en stijgt vrijwel verticaal in het water dankzij dit materiaal met een gewicht van drie ton. De potvis kan de bloedtoevoer naar de kop vrijwel afsluiten. Het walschot stolt in de kop waardoor het duikgewicht toeneemt. Als de walvis warm bloed door het walschot laat stromen wordt die thermostatische oliebol weer vloeibaar en lichter waardoor de potvis gemakkelijk naar de oppervlakte kan zweven. Die multi-functionele kop die bijna een derde van zijn lichaamsomvang bevat, heeft waarschijnlijk een akoestische geluid- en gehoorfunctie, dient de echolocatie en bij de veel grotere mannetjes kan die als stormram gebruikt worden. Moby Dick!
Ach ja, natuurlijk, dat is waar ook. Dat relatief grote mensenhoofd met die grote hersenen die voor koeling een flinke bloedcirculatie behoeft, heeft de potentie en de capaciteit voor de evolutie van intelligentie. Processen reageren op elkaar. Die potentie en capaciteit moeten geactiveerd worden. De hersenen zijn erg gevoelig voor hogere temperaturen. Het bloed dat er doorheen stroomt, is minder warm en voert aldus warmte af. Heeft die warmte niet onze hersenactiviteit geactiveerd? Darwin schreef al dat we qua fysiologie doorstroming van warm bloed nodig om de hersenen effectief te kunnen laten functioneren. Warmbloedige zoogdieren die het water bewonen, moeten constant naar het wateroppervlak om adem te halen, waardoor indirect deze hersenen effectief functioneren.
Menselijke activiteiten als leren, denken en communiceren, vreten energie. Twintig procent van onze energie gaat naar onze bovenkamer dat qua gewicht slechts twee procent van ons totale lichaamsgewicht bedraagt.
Een groot hoofd is om te zwemmen en te waden in water überhaupt geen probleem of obstakel. De radiator wordt water gekoeld als je hete hoofd onder water gaat. Kopje onder, daar knap je van op onder de brandende zon in Afrika. Waarom zou de evolutie deze mogelijkheid voor groei van een groot hoofd over het hoofd zien en beteugelen? De evolutie wedt toch op alle paarden en hecht niet aan wetenschappelijke zelfmoord, reputaties die geëerbiedigd moeten worden, vroom- noch wreedheid, waarheid of leugen, landsbelang, godsdienst, geld of grenzen aan de groei. Integendeel, niets is zo opportunistisch als evolutie. De evolutie neemt alle mogelijkheden te baat om te leven en voort te leven en zich ongebreideld voort te planten. De mensheid voldoet aan alle eisen en voorwaarden voor die evolutie en is zowel opportunistisch als evolutionair gezien zo’n succes dat ze aan haar eigen succes ten onder dreigt te gaan.
[4] Dean Falk. Constraints on brain size: The radiator hypothesis (2007). Dit betreft een update, te downloaden via internet.
§ 15 Het kind in de mens
De mens kent sowieso een aquatische fase. Kent niet al het leven op aarde een aquatische fase? Als embryo in een zoogdier evolueren we in het vruchtwater van de moederbuik tot een foetus. We kunnen onze monden openen en sluiten in het vruchtwater, maar we ademen niet, want dan verdrinken we in nog geen twee liter vruchtwater. Onze levenslucht krijgen we met ons voedsel in vloeibare vorm aangevoerd via de navelstreng.
Bij mijn geboorte deed ik mijn mond te vroeg open om te brullen en slikte per ongeluk mijn moeders vruchtwater en stikte er bijna in. Dit is een veel waarschijnlijker scenario dan dat ik zogenaamd stoer en stom mijn mond dichthield en de dood stikte om zo aan het toekomstige misdadige leven te ontsnappen. Mijn moeder dichtte me een bijna-doodervaring toe door me wijs te maken dat ik niet wilde gillen vanwege een tik op de billen. Dat is stoerder dan stikken in vruchtwater.
Een bijna-doodervaring is een manier van reageren in ons brein om een levensbedreigende ervaring het hoofd te bieden, een soort dopamine, hoewel andere wetenschappers en onderzoekers denken dat het bewustzijn los kan functioneren van de hersenen als verklaring. Tja, zo zijn er meer verklaringen en combinaties van verklaringen mogelijk, maar hoe je ’t wendt of keert, ze hadden mij – en ik niet alleen – in water moeten laten bevallen. De kans dat je dan vruchtwater naar binnen krijgt is veel kleiner.
Een mensenbaby wordt prematuur geboren, want het wezentje kan nog niets, wordt wel gesteld. Is dat wel zo? De foetus groeit goed in de buik en wil er uit omdat de ruimte slinkt. Het moederlichaam wil deze levensgrote parasiet ook kwijt en perst het gezwel er met grote moeite uit. Het wonder der natuur wordt gebaard in een bloedbad. Vrouwen bevallen meestal in bed, liggend en gillend. Gehurkt gaat al beter: het helpt de ontsluiting en de zwaartekracht helpt de barende moeder. Bevallen in handwarm zeezout water bevalt veel beter voor vrouw en baby. De overgang van een aquatische fase naar een landelijk bestaan verloopt veel natuurlijker, praktischer, hygiënischer en schoner voor moeder en baby. De bevalling is een bevrijding voor beiden. De verse koter waant zich in een tropisch zwemparadijs. Prematuur? Nee, puur natuur! Die ukkepukken kunnen meteen met gecoördineerde bewegingen en mond en ogen wijd open zwemmen. Zodra de dopeling boven water komt, hapt het naar adem. Dat is een reflex, geen trucje!
De embryo’s van zoogdieren zijn in het begin bijna identiek. Tijdens de groei evolueren de verschillen, maar nog vlak voor de geboorte lijken de foetussen van mens en chimpansee heel erg op elkaar na een zwangerschap die ongeveer even lang heeft geduurd. De baby’s zijn bijna even groot. Na de geboorte verandert de schedel van de chimpansee en krijgt het hoofd de vorm van de ouders, zoals die vooruitgestoken toet doet voorkomen. Chimps zijn snel volwassen; ze zijn veel sterker dan mensen. Qua gedrag en emotie verschillen deze twee soorten primaten nauwelijks, zoals Frans de Waal, de beroemde apatist[5] en primatoloog, heeft ervaren en beschreven. Mensen worden in tegenstelling tot deze apen en vrijwel alle andere diersoorten heel langzaam volwassen. Dieren zijn veel sneller volwassen. Ze denken niet, ze leren niet te denken. Ze weten, dat gaat sneller. Instinct! Dat denken van ons neemt een omweg via de hersenen. Nee, we worden in het water niet prematuur geboren, maar op land wel. We moeten leren op land te leven en we leren ons hele leven. Ons aquatische begin moeten we vergeten. Weet je, als mens ben je niet wat je eet, hebt, denkt, kiest, piest, stemt of schijt of wat je beweegt of motiveert of hoe je leeft en hoe je crepeert. Je bent wat je wijs en onwijs wordt gemaakt.
[5]Apatist: iemand voor wie het niet uitmaakt of een godheid al dan niet bestaat. Franciscus Bernardus Maria (Frans) de Waal is op 29 oktober 1948 te ’s-Hertogenbosch geboren en onlangs op 14 maart 2024 te Stone Mountain (Georgia, VS) overleden.
§ 16 Het kind van de evolutie
Neotenie of juvenilisatie betekent dat kinderlijke hoedanigheden in de volwassen toestand behouden blijven en kan als gevolg hebben dat een nakomeling volwassen wordt met uiterlijke kenmerken die overeenkomen met de juveniele ofwel jeugdige kenmerken van de voorouder. Onze premature geboorte die begint met een buitenbaarmoederlijke levensfase waarbij het kind alles moet leren, heeft ertoe geleid dat goed leren en luisteren gewaardeerd wordt. We leren te eten, te staan, we leren ons hele leven, anders vallen we uit de boot. We willen dat mensen naar ons luisteren, want dat betekent dat we gewaardeerd worden.
Een ander voorbeeld van neotenie is dat wij jonge mensen en jonge dieren aantrekkelijker vinden dan oude. Bij dieren zie je in het algemeen dat mannetjes oudere vrouwtjes aantrekkelijker vinden. Je wordt immers niet zo maar oud. Een ouder, rijper vrouwtje heeft laten zien dat ze over sterke genen beschikken, dus de kans dat het nageslacht dat je bij haar verwekt sterke genen heeft, is daarmee ook groter. Aan haar zal het niet liggen.
Juveniele eigenschappen blijven bij mensen in de volwassenheid aanwezig. Die jeugdige kenmerken betreffen dan een groot, hoog voorhoofd, dat platte gezicht, een dopneusje, grote diepliggende ogen en die lange kindertijd. Dit soort prikkels, de bioloog Konrad Lorentz noemde dit sleutelprikkels, is vaak aangeboren en niet te onderdrukken. Het dier of de mens reageert er automatisch op zodra het de prikkel waarneemt. Een bekend voorbeeld bij vogels is een rode stip op de snavel zodat het kuiken daarnaar gaat pikken en zo beloont wordt met eten en zo leert te eten.
Vrouwen houden hun jeugdige eigenschappen meer dan mannen en mannen vallen daar op. Mannen houden van grote ogen, een kleine neus, nauwelijks lichaamsbeharing, rondingen alom. Mannen houden van baby’s en kinderen, vooral omdat vrouwen houden van mannen die van baby’s en kinderen houden.
Onze baby’s roepen met hun kwetsbaarheid en onhandig gedrag beschermend en liefdevol gedrag op en die prikkels zijn sterker naarmate het kind hulpelozer is en meer bescherming behoeven, vooral in de eerste twee jaar en in het eerste levensjaar meer dan in het tweede. Het zit in onze genen om vertederend te reageren op die onhandige, mollige baby’s. Die strategie blijkt succesvol en past de vrouw, zeker als ze moeder is of wordt, op zichzelf toe. Ook zij is kwetsbaarder en het is voor haar veiliger en leuker om van deze handicap een voordeel te maken door lief te lachen, een lach te ontlokken en zich vredelievender, vriendelijker, socialer en sensitiever te gedragen als mannen. Je moet die mannetjes namelijk wel te vriend houden, dat is beter om de ukkepukken – en dat geldt ook voor kuikentjes, konijntjes, poesjes, puppies en popjes – te beschermen. Jong zijn en jong blijven wordt aantrekkelijk geacht en dat blijkt een goede gedacht’, want de mens heeft neotene psychologische kenmerken als nieuwsgierigheid, speels gedrag, flexibiliteit, opportunisme, empathisch vermogen en leergierigheid zich eigen gemaakt.
Jonge dieren zijn wel aantrekkelijker voor roofdieren. Niet alleen is het vlees malser en dus makkelijker te vermalen en te verteren; de dieren zijn ook makkelijker te bejagen. Ze zijn kwetsbaarder dan oudere dieren. Die oudere dieren moeten die jonkies beschermen. Dat vinden wij lief. Dieren die dat niet doen, vinden wij niet lief.
§ 17 Een extreem onvolledig geologisch archief
Natuurvorsers onder wie Wolfgang Goethe verbaasden zich over de grote, zware rotsen die in de Alpen als Fremdkörper in het berglandschap lagen. Deze keien konden hier niet ter plekke ontstaan of uit de lucht gevallen zijn, dus rees de vraag hoe ze daar dan wel terecht waren gekomen. In 1837 concludeerde de Zwitserse geoloog, paleontoloog en zoöloog Agassiz dat stromend landijs voor het vervoer en de afzetting verantwoordelijk moest zijn. Gezien de herkomst, de grootte en het gewicht van deze stenen was er ooit een ijstijd in de Alpen van een omvang die zich niet tot de Alpen beperkte.
In 1840 deed Agassiz in gezelschap van de Britse paleontoloog, geoloog en theoloog William Buckland onderzoek naar sporen van een ijstijd op de Britse eilanden en ontdekten dat de bergachtige gebieden daar eveneens vergletsjerd waren geweest. De bewijzen van ijstijden die ook in Noord-Amerika werden gevonden, stapelden zich op en Agassiz publiceerde hierover in het tweedelige werk Études sur les glaciers (Studies over de ijstijden). Het Grote Merengebied die in het oosten van Noord-Amerika het grensgebied vormt tussen de VS en Canada, waren ooit uitgesleten door gletsjers, vergelijkbaar met binnenzeeën als de Botnische Golf en de Oostzee in Scandinavië. De zwerfkeien in de Alpen en die voor de hunebedden in Drenthe hadden Scandinavië als gebied van herkomst. Ze zijn getransporteerd door het landijs. Dat betekent dat een heel groot deel van Europa onder het landijs moet hebben gelegen en dat die ijsbedekking vanuit het noorden naar het zuiden is opgeschoven waarbij complete rotsen in het ijspakket mee zijn genomen. Het landijs sleet als een bulldozer van continentale afmetingen het Noord-Europese laagland uit en streek die glad van Londen en de Noordzee via Brussel, Praag, Warschau, Minsk en Moskou door naar Siberië en via de Beringzee verder de hele wereld rond.
Er bleken zelfs meerdere ijstijden te zijn geweest en te hebben geheerst en dat die ‘enkele diluviale golf’, afgeschilderd als ‘goddelijke interventie’, meerdere malen had plaatsgevonden. Die ijstijden kun je toch ook als catastrofes beschouwen.
De afwisseling van ijstijden en tussenijstijden met lage en hoge zeespiegelniveaus, betekende ten aanzien van de biogeografie dat de spreiding, isolatie en begrenzing van planten, dieren en de (voorouders van de) moderne mens beter beschreven, begrepen en verklaard kon worden. De natuurlijke selectie als reactie op veranderingen in de natuurlijke omstandigheden waarbij soorten uitstierven en nieuwe soorten evolueerden, kreeg nog meer bewijs en voedingsbodem ten koste van het scheppingsverhaal.
Ondanks de zeer diverse mogelijkheden ter dispersie bleef Darwin zijn hoofd breken over het gebrekkige en extreem onvolledige geologisch archief. Hij vindt weliswaar verklaringen voor die onvolmaaktheid, maar hij zoekt naar de verklaring die Wegener een halve eeuw later zou geven en waarvoor Wegener evenmin bewijs kon overleggen. Het was wel het antwoord op de vraag die Darwin voor ogen stond. In hoofdstuk XII getiteld Geografische verspreiding veronderstelt Darwin (p. 402): ‘Maar ik geloof niet dat ooit bewezen zal worden dat in de huidige periodede meeste van de continenten die nu van elkaar gescheiden zijn, met elkaar en met de meeste van de bestaande oceanische eilanden één geheel hebben gevormd.’ Pangea!
De naam Pangea, betekenis de hele aarde, lijkt ook afgeleid van het woord pangenese, betekenis de hele wording of het hele ontstaan, en is de naam voor de erfelijkheidsleer, zoals Darwin die voorstelde. Eigenschappen zijn erfelijk waarbij deeltjes van cellen van het hele lichaam zich samenvoegen om geslachtscellen te produceren. Deze hypothese is verworpen; het proces van natuurlijke selectie is correct. Zonder dat Darwin wist van het bestaan van Mendels wetten der erfelijkheid en dus zijn hypothese betreffende natuurlijke selectie niet kon bewijzen, evenmin als Wegener dat kon met betrekking tot continentverschuiving, zou de toekomst hun beider gelijk uitwijzen. De technologie ontbrak toentertijd voor Wegeners bewijs. Bij Darwins evolutieleer was het omgekeerde het geval. De veelzijdige en volop experimenterende Gregor Mendel (1822-1884) had aanvullend bewijs geleverd voor de evolutieleer, maar Darwin was onbekend met die bevindingen. Die bevindingen werden rond de 19e eeuwwisseling uit verschillende hoeken opnieuw belicht en Mendels werk werd geherwaardeerd. Het leverde hem postuum de titel op van ‘vader van de genetica’. Hij gaf de voorzet voor het ontleden van het DNA.
Een van de gevolgtrekkingen is dat gunstige mutaties zich snel kunnen vermenigvuldigen waardoor de vorming van nieuwe soorten vrij snel kan gaan. De snelheid van dit proces is een van de factoren, die verklaart waarom fossielen van overgangsvormen zo zeldzaam zijn.
Mutaties zijn veranderingen in het DNA als gevolg van straling, foutjes tijdens de celdeling of blootstelling aan giftige stoffen. Rosalind Elsie Franklin (Londen, 1920-1958) staat aan de basis van de ontdekking van het DNA waarvan de structuur eruitziet als een dubbele helix en waarvan zij een foto maakte. Haar collega Wilkins speelde die foto door aan Watson en Crick met als resultaat dat dit drietal in 1962 de Nobelprijs kregen. Franklin die een paar jaar eerder op 37-jarige leeftijd was overleden, was toen al helemaal uit beeld gewerkt. Ze overleed aan eierstokkanker waarschijnlijk als gevolg van röntgenstraling waaraan ze tijdens haar experimentele onderzoek naar DNA blootgesteld was geweest. Ze zou dan een van de jongste Nobelprijswinnaars zijn geweest. Rosalind Franklin heeft herwaardering en rehabilitatie gekregen, echter niet postuum middels een Nobelprijs. Dat zou toen nog wel gekund hebben, maar postume onderscheidingen, dat heeft het Nobelcomité afgeschaft.
§ 18 IJstijdelijk weinig water in omloop
IJstijden zijn geen wereldwijd verschijnsel. De poolgebieden breiden uit, maar in de tropen blijft het heet. De effecten zijn wel mondiaal met betrekking tot de waterhuishouding. Door de lagere temperaturen valt er minder neerslag. Koude lucht kan minder waterdamp bevatten dan warme. Veel van die geringe neerslag valt in de vorm van sneeuw dat op land wordt opgeslagen en aldus voorlopig aan de kringloop van het water wordt onttrokken. De zeespiegel daalt daardoor en het landoppervlak neemt toe met een grotere continentaliteit als gevolg en zo wordt er nog meer water aan de kringloop onttrokken met nog minder neerslag als gevolg op een groeiend landoppervlak. Die ijskappen groeien geleidelijk en gestaag. De klimaatgordels schuiven met hun vegetatiegordels richting evenaar. Bos wordt savanne, steppe, woestijn. De Middellandse Zee wordt herhaaldelijk gedecimeerd tot verschillende indampende zoutzeeën die gevoed worden door rivieren die smeltwater vanuit de berggebieden aanvoeren. De Mediterranée krijgt een continentaal karakter. Het drooggevallen Noordzeegebied wordt ’s zomers een toendra waar mammoeten en wolharige neushoorns rondlopen en rendiermos grazen terwijl sabeltandtandtijgers en hyena’s op die rendieren azen. De Engelse, Noord-Franse, Belgische en Nederduitse smeltwaterrivieren zoeken een andere uitweg aangezien de loop naar het noorden is geblokkeerd door het landijs. Ze stromen verwilderd naar het zuiden waar de wateren het kalk uit het Krijt tussen Dover en Calais oplossen en afvoeren en daarmee de nauwe zeestraat uitslijten tot een uitwaaierende mouw, La Manche, die wij Het Kanaal noemen. De koude Atlantische Oceaan klotste honderden kilometers verderop naar het westen en noorden tegen de Ierse, Schotse en Noorse kusten. Je kunt dus heel globaal spreken van een koude, droge aarde en omgekeerd tijdens een interglaciaal van een natte, warme aarde. Tijdens interglacialen schuiven de klimaatgordels vanaf de evenaar weer terug naar het noorden en zuiden. Tropisch regenwoud breidt zich wederom uit ten koste van de savanne die zich uitbreidt ten koste van steppe en woestijn. Fluvialen worden deze relatief regenrijke perioden op lagere breedtegraden genoemd en vallen dus ongeveer en met een fikse slag om de arm en met grote regionale verschillen samen met de interglacialen in de regionen op hogere breedtegraden.
De ijstijden duurden langer dan de interglacialen, zeker naarmate het Pleistoceen vorderde. Deze glacialen werden onderbroken door korte interglacialen, interstadialen geheten. Er zijn ook ijstijdjes tijdens de interglacialen; dat zijn de stadialen. Tegen het eind van het Weichselien, dat tevens eind Pleistoceen zou zijn, was er een interstadiaal. Misschien dat de opwarming van de aarde toen verstoord werd door de vulkaanuitbarsting in de Eifel, een andere reden is ook mogelijk, waardoor het laatste glaciaal zich kon herpakken. Het bleek van geologisch korte duur en is daarom achteraf als stadiaal bepaald.
Het einde van een ijstijdperk gaat veel sneller en spectaculairder dan het begin. De temperatuur neemt toe, ijs en sneeuw smelten, verdamping en neerslag nemen toe, waardoor de zeespiegel stijgt, het land overstroomt en het landoppervlak afneemt. Deze zeespiegelstijging gaat met horten en stoten en met reusachtige overstromingen gepaard en soms zo spectaculair dat de mensen misschien gingen denken dat ze de goden mishaagd hadden. Het kon ook heel geleidelijk gaan. Zo duurde het nog duizenden jaren voordat de poolwoestijn in het Noordzeegebied onder water kwam te staan en Doggersland met haar bewoners overstroomde en als zandbank met de naam Doggersbank onder water verdween.
§ 19 Het vuur de baas
Vanaf een miljoen jaar geleden zijn er sporen van gebruik van vuur door Homo erectus en er zijn sporen van de spreiding van deze soort over de Oude Wereld tot in onherbergzame berggebieden als de Oeral en de Kaukasus aan toe. Je kunt daar misschien beter niet meer spreken van een watermensaap, maar meer van een wateraapmens of een aapmens. Waarschijnlijk kwamen een miljoen jaar geleden deze drie nauw-verwante moeilijk te onderscheiden ondersoorten min of meer naast elkaar voor en werden de verschillen vooral bepaald door de habitat waarin ze kwamen te verkeren. De (water-)aapmensen zullen via kloven van rivierdalen hier zijn gekomen. Hoe kun je er anders komen zonder hulpmiddelen? Ze konden geen vuur maken, maar waarschijnlijk maakten ze gebruik van vuur en probeerden ze dit vuurtje levend te houden. Het vuur hield ze in leven toen de omstandigheden verslechterden. Het werd kouder, het sneeuwde en het vroor. Toen het vuur doofde, was het met hen gedaan in die geïsoleerde gebieden.
Langs de wateren en in de kuststroken van de tropen hadden de watermensapen geen vuur nodig om te overleven. Die behoefte was er niet; de noodzaak ontbrak; het vuur als hulpmiddel was onbekend. Vuur was deel van de natuur. Wat moet je in water met vuur? Homo erectus alias de watermensaap was afhankelijk van water. Vuur werd pas van belang toen we weer meer en meer aan land gingen en we het kouder kregen. Dat was regelmatig het geval in deze periode van het Pleistoceen met de afwisseling van glacialen en interglacialen. Tijdens een ijstijd was het op aarde globaal, dus ook in de tropen, droger en dit betekende uitbreiding van savannes en woestijnen ten koste van het regenwoud. Het landoppervlak op de aarde nam met dertig procent toe ten koste van het zee-oppervlak. Het zeewater van de oceanen was kouder, zouter en zuurstofrijker, veronderstel ik. De ondiepe kustzeeën van het continentaal plat met hun rijkdom en variatie aan schaaldieren, kreeftachtigen en kleine vissen werden land als gevolg van de lage zeespiegelstand. De kuststrook was smal; de diepzee gevaarlijk dichtbij. Onze voorouders moesten op zoek naar nieuwe bestaansmiddelen en zich aanpassen aan de veranderende omstandigheden.
Daar waar onze voorouders het vuurtje beter brandend leerden te houden, leerden ze allengs het vuur te beheersen. Ongeveer een half miljoen jaar geleden waren de mensen het vuur de baas. Vindt in deze periode niet de sprong plaats naar een aanzienlijk groter hersenhoofd? Voor onze voorouders in Eurazië die voor de kou op de vlucht sloegen en ’s nachts en ’s winters hun toevlucht zochten in grotten werd die beheersing een levensvoorwaarde. Ze konden beren en andere wilde beesten uit hun holen en grotten roken en er hun nieuwe verblijfplaats van maken. Een hele nieuwe bestaanswijze deed zijn intrede. Een miljoen jaar lang waren ze niet verder gekomen dan het gebruik van een vuursteensplinter als mes en het gebruik van stenen om dienst te doen als vuistbijl, aambeeld en aanrecht. Ze leefden van wat de wateren en de zee hen leverden en aan land aten ze aanvullend fruit, noten, eieren en dergelijke. Nu werden ze jagers op groot wild. De mega-fauna werd hun prooi. Grote roofdieren kregen er een geduchte concurrent bij. Wie waren deze eerste jagers? Dat waren de laatste archaïsche moderne mensen die de eerste neanderthalers werden. Het waren geen mensapen meer; het waren mensen die het vuur van de goden hadden gestolen.
§ 20 De nieuwe mens, de neanderthaler
Gedurende een interglaciaal bijna een miljoen jaar geleden leefden in Nederland berberapen die misschien aan het eind van dit interglaciaal wel in het gezelschap van de laatste soort Homo erectus of de eerste soort archaïsche Homo sapiens, een oermens, kwamen te verkeren.
Die oermens, die ook de eerste soort Homo sapiens neanderthalensis zou kunnen zijn, komt vanaf een half miljoen jaar geleden in beeld. Ik vermoed dat deze mensen vanwege de kou uit noodzaak het vuur beter leerden beheersen. Met deze oermens verspreidde het vuurtje zich vanuit de ontoegankelijke delen van Eurazië naar het Middellandse Zeegebied en vandaar ging het als een lopend vuurtje rond onder de archaïsche moderne mensen in Azië en Afrika. Met onze handen hadden we vuur leren te beheersen, de volgende stap was dat we gereedschap en werktuigen leerden te maken, zoals vuurstenen bijlen met een houten schacht en houten speren met een stenen pijlpunt. We leerden samen te werken, want vele handen maken licht werk. We leerden daarbij steeds beter te communiceren.
Hoe komen die neanderthalers aan hun naam? Neanderthal betekent het dal van Neander en Neander is Grieks voor ‘nieuwe mens’. De ouders van Joachim Neander (Bremen, 1650-1680) vertaalden hun naam Neumann in deze chique Griekse en namen de naam Neander aan. Zoonlief werd predikant, componist en van 1674 tot 1679 rector aan het gymnasium van Düsseldorf. Aan het riviertje de Düssel had hij voor zijn leerlingen een pittoresk plekje uitverkoren dat daarom naar hem het Neanderthal vernoemd werd. Hier werd bij kalksteenwinning in 1856 een fossiel gevonden van deze nieuwe mens, een oermens en vernoemd naar een mens die dit misschien nooit gewenst en dus wel verwenst zou hebben[6].
De eerste bewijzen van de aanwezigheid van neanderthalers in Nederland zijn in groeve Belvédère langs de Maas bij Maastricht gevonden en betreffen vuurstenen werktuigen. Zij dateren van het interglaciale Belvédère ruim driehonderdduizend jaar geleden. Tijdens het daarop volgende Saale-glaciaal (236.000-126.000 jaar geleden) was het zo koud dat een heel groot deel van Eurazië, waaronder Nederland, waarschijnlijk onleefbaar was voor neanderthalers. Nederland was tot de lijn Haarlem-Utrecht/Amersfoort-Nijmegen bedekt met landijs. De uiterste zuidgrens van die lijn wordt gemarkeerd door stuwwallen die gevormd werden door het opdrukkende landijs. De zuidelijkste stuwwal van Nederland ligt in het uiterste noorden van Limburg.
De vondsten van speerpunten wijzen op de terugkomst van neanderthalers tijdens het Eemien. Dit was het voorlaatste interglaciaal (126.000-116.000 jaar geleden) met een temperatuur die gemiddeld twee graden warmer was dan nu. De helft van Nederland maakte weer deel uit van de Noordzee. De kust begon bij Amersfoort aan de Eem. Landinwaarts wisselden rivieren, beken en veenmoerassen elkaar af. Hier plonsden nijlpaarden rond. Dieper het binnenland in overheersten subtropische bossen waarin leeuwen jaagden en bosolifanten rondbanjerden, getuige de fossielen die Eugène Dubois als paleontoloog in zijn achtertuin te Tegelen vond.
De neanderthalers in het grootste deel van Europa kregen wederom te kampen met verslechterende leefomstandigheden toen de laatste ijstijd opdrong. Dit was het Weichselien (van 116.000 tot 11.700 jaar geleden) waarbij Nederland een poolwoestijn werd. Het werd langzaam kouder waardoor de neanderthalers de tijd hadden zich aan te passen aan de barre omstandigheden. Ze beheersten het vuur; hadden wapens met dank aan de beheersing van vuur, verbeterde jachttechnieken en waren gehuld in dierenvellen. Waarschijnlijk migreerden ze vóór die kou uit naar de kusten in het zuiden, maar werden ze weer teruggedrongen door de moderne mens. De neanderthalers jaagden en aasden op groot wild. Ze leefden in Europa ongeveer driehonderdduizend jaar voordat ongeveer vijftigduizend jaar geleden een eerste golfje Homo sapiens Europa binnen kwam siepelen. Dat waren de Cro-Magnons. Misschien waren er al veel eerder groepjes archaïsche Homo sapiens in Eurazië. Het onderscheid tussen neanderthalers, de archaïsche moderne mensen en Cro-Magnons was niet scherp, maar betrof wel zeer diverse mensen, de mannen vooral!, qua uiterlijk. De neanderthalers mengden zich met deze nieuwkomers, die natuurlijk ook concurrenten waren en verloren misschien op den duur die strijd met de overtallige nieuwkomers en werden ze gedwongen verdrongen naar steeds ontoegankelijkere oorden. Misschien werden ze gedecimeerd door nieuwe besmettelijke ziekten in combinatie met weinig genetische variatie binnen hun kwijnende populatie met kleine genenpoel. Gewoon gruwelijk vermoord kan natuurlijk ook en daarmee zou Kana’an een voorbode kunnen zijn van de talloze oorlogen in deze regio. Hier zijn bij archeologische opgravingen fossielen van de beide soorten Homo’s in elkaars nabijheid gevonden die ongeveer uit dezelfde tijd stammen. Bij die strijd zullen ze over en weer elkaar ongetwijfeld opgepeuzeld hebben.
Die spiermassa van de doorsnee neanderthaler, dat grote hoofd met dat grote gezicht en dat grotere hersenvolume, zo significant vanwege de iets mindere lichaamslengte, zal zeker afgrijzen, maar ook aantrekkingskracht en jaloezie opgewekt hebben bij de koppensnellers en kannibalen onder de oprukkende moderne mensen. Hersens vormen een enorme bron van eiwitten, energierijker eten kun je je moeilijk wensen en van het eten van hersens word je toch slimmer? Dertigduizend jaar geleden waren de neanderthalers uitgestorven. De hongerige neanderthalers hadden geslachtsgemeenschap met de hongerige Homo sapiens, want er zijn sporen van de neanderthaler in ons DNA. Mogelijk waren deze lieve neanderthalers met hun sprekende gezicht en relatief grotere hoofd wel intelligenter dan hun kannibalen. Waarom zou dat niet kunnen? Ik denk zelfs dat zij als voorbeeld dienden. Misschien werden zij wel vereerd en golden zij zelfs als voorbeelden van de goden van de Grieken. En misschien waren de steriele Griekse halfgoden afstammelingen met een dergelijke dubbel gemengde afkomst.
Bij geschiedenis in de eerste klas, de brugklas, van de middelbare school komen de Grieken en hun godenwerelden vrij snel aan de orde. Die Griekse goden en halfgoden waren sprekend gewone mensen en hun interactie met ons, gewone mensen, was ook zo normaal, dáárom spreken die verhalen ons ook zo aan. Zo zou het gegaan kunnen zijn. Verhalen die tot de verbeelding spreken, gaan over reuzen, titanen, nimfen, fabeldieren, jaloezie, haat, liefde, geweld, oorlog, overspel, verraad, edelmoedigheid, wraak, wreedheid, woede, woestheid, toorn, schoonheid, zwakte, krachten, heldhaftigheid en lafheid. Zo zou de interactie met de neanderthalers verlopen kunnen zijn, daarom spreekt het tot onze verbeelding. Daarom vond ik toen al geschiedenis zo interessant. De werelden van mensen, goden en neanderthalers liepen door elkaar heen.
De beeldvorming ten aanzien van neanderthalers die we op z’n pruts voorgeschoteld kregen, was juist om onze verwantschap met deze edele wilden te kleineren door ze als behaarde woeste wildemannen en halve apen af te schilderen en plaatsvervangend kregen we zo’n flauw sprookje uit het neolithische hof van Eden voorgespiegeld om dat verplicht te geloven. De geschiedenis van de mensheid begint met het vuur dat we de goden ontnamen.
[6] Vrij naar Wikipedia, trefwoord Joachim Neander, en Marc Verhaegen. De evolutie van de mens; Waarom wij rechtop lopen en kunnen spreken. 2022. P. 230 en 231.
§ 21 De magie van taal
Communicatie begint met naäperij. We gapen als we zien gapen, we grommen en brommen terug en we lachen vriendelijk als we iets van je willen. We hadden onze handen vrij en we gingen die gebruiken om aan elkaar te zitten. We kietelen, aaien, slaan, zwaaien, wijzen naar iets of iemand en maken gebaren. We maakten geluiden die betekenis kregen. Neanderthalers waren waarschijnlijk fysiek nog niet in staat hun stem en stembanden zo goed te beheersen dat ze konden spreken. Ze leefden in kleine groepjes te geïsoleerd van elkaar om met elkaar te praten, maar wel via geluid en gebaar te communiceren.
’s Avonds bleven we rond het kampvuur zitten, nadat we gegeten hadden. We keken naar de sterren, we staarden in het vuur. We begonnen te klappen, maakten geluid, dansten, gilden, huilden, schreeuwden, lachten. We begonnen te zingen; gebaren en geluiden kregen betekenissen, woorden werden gevormd, we rijmden om ze te onthouden, we kregen een taal.
Ons mentaal vermogen en ons spraakorgaan werden sociaal en fysiek uitverkoren om verder samen te evolueren. Was dit noodzaak om ons als soort te handhaven? Neen, we hadden als soort al een beslissende voorsprong genomen toen we die goden bij de baard namen en hen het vuur ontnamen.
Wanneer kunnen we van een taal spreken? Om een idee te geven haal ik de Zweedse taal- en natuurkundige Sverker Johansson[7] aan over de oorsprong van taal: ‘Hoe het ook zij, het is zeer waarschijnlijk dat de huidige talen zo’n 100.000 jaar geleden inderdaad een gemeenschappelijke oorsprong hadden,… Het ’Proto-Sapiens’ is dus niet de éérste taal, het is juist de láátste taal waar alle huidige talen van kunnen worden afgeleid. Ongetwijfeld waren er meer oertalen, maar stierven zij uit en zijn zij uitgestorven of vrijwel spoorloos verdwenen.’
We maakten geluiden en leerden te spreken met dank aan onze ademhaling die via mond en neus verloopt met de mond- en keelholte als klankkast en waarbij met behulp van tong en lippen het maken van allerlei geluiden mogelijk wordt gemaakt. Lucht wordt geluid, wordt woord, wordt taal. We kunnen horen dankzij een delicaat gehoororgaan met de oren en de schedel als ontvangsttoestel voor geluiden; ogen en lippen om gesproken taal te lezen en bovendien zeer subtiel gecombineerd en geïntegreerd met andere functies als eten en drinken, ruiken, kijken, zien en denken. Moderne mensen hebben aanzienlijk rondere hersenen dan onze voorouders hadden. Onze hersenen zijn vrij lang en smal. Daarom hebben wij een hoog voorhoofd en een schedel die net iets boven de oren op zijn breedst is. Bij alle andere vroegere moderne mensen, inclusief de neanderthalers, was de vorm platter en langwerpiger. Deze vormverandering kan te maken met de ontwikkeling van taal en zo komen we bij het mentale aspect van de mensentaal. We communiceerden en we maakten geluiden vóór je van een gesproken taal kunt spreken. Communicatie is taal in ruime betekenis. Onze taal is ouder dan de adaptaties in de gehoor- en spraakorganen om te kunnen spreken, schrijft Sverker Johansson. ‘Ons vermogen om geluiden te analyseren is niet voor taaldoeleinden ontwikkeld, maar dat het geluidpatroon van taal is aangepast aan het gehoor en aan het vermogen om die te analyseren’ [p. 267].
Wij, mensen, kunnen met taal spelen, fantaseren, anticiperen, reflecteren, intimideren, bespelen en (mis-)communiceren. Ik citeer uitspraken van de broers Von Humboldt over taal[8]. Alexander had met zijn broer gesproken over ‘het mysterieuze, prachtige onderlinge verband tussen alle talen’. De holistische Alexander noemde taal ‘de vormende kracht in de natuur’; de taal- en staatkundige Wilhelm noemde taal ‘de vormende kracht der gedachten’.
[7] Sverker Johansson. De oorsprong van taal; Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten; 2019 (p. 137 e.v.).
[8] Andrea Wulf. De uitvinder van de natuur; Het avontuurlijke leven van Alexander von Humboldt; 2016. Blz. 253. Vert. door Mariëlla Duindam en Fennie Steenhuis. Oorspr. titel: The Invention of Nature; 2015.
§ 22 Flessehalzen
De verwantschap van alle mensen, deze eenheid in verscheidenheid wereldwijd waarvan de gemakkelijke sexuele uitwisseling getuigt, duidt erop dat wij als moderne mensensoort pas relatief recent over de hele wereld zijn gaan uitzwermen. Wat kan daar de oorzaak van zijn?
De Ring of Fire strekt zich over tienduizenden kilometers langs de kusten van de Grote Oceaan uit en verdient die vurige titel op grond van de ronde vorm van die oceaan en de explosieve vulkanische activiteit aan het rafelrandje van die ronde. De Pacifische plaat botst op, schuift onder en schuurt langs de Indisch-Australische, Amerikaanse, Filipijnse, Euraziatische en nog een paar aardplaten links en rechts, oost en west, noord en zuid, schots en scheef. De aardkorst schokt daarbij vaak, onregelmatig en in alle toonaarden. De Indonesische archipel slingert als een gordel van smaragd met zijn duizenden eilanden rond de evenaar die op de landkaart als een sliert van geel-groen-bruine vlekken (donkerder van kleur naarmate hoger en met het wit van de eeuwige sneeuw als hoogste meters) in de licht- tot donkerblauwe zeeën (donkerder naarmate dieper) wordt in de vaart der tektonische platen opgestoten door de aan de zuidkant opdringerige Indisch-Australische plaat. Die twee aardplaten komen elkaar voor het eerst in de geologische geschiedenis tegen. Grensoverschrijdend gedrag dreigt. Botsen ze?
De oceanische aardkorst van de Indisch-Australische plaat schuift onder de Euraziatische continentale aardkorst en vooral de subductie van een oceanische plaat veroorzaakt een dynamisch en explosief overgangsgebied in de continentale korst dat van onderaf opgestuwd wordt. Vulkanen zijn zo explosief vanwege de organische gassen en de in oceaanwater opgeloste stoffen die zich een weg naar boven dampen en op die weg naar boven alles smelt en oplost en meeneemt waardoor er gangen, spleten, barsten en breuken in de aardkorst ontstaan die de stabiliteit ervan ernstig ondermijnen. De ondergrondse druk duwt de aardkorst omhoog, waardoor de temperatuur vanwege de relatief koude buitenlucht daarboven stabiliseert en het nog net niet tot ontgassing, uitbarsting en ontploffing komt. Het gist, sist en stoomt onder de aardkorst, onderwijl onrustig begeleid door de goden van de onderwereld die daar rommelen, ruzie maken en vertoornd beginnen te trommelen. De situatie wordt alsmaar kritieker tot het kritische punt overschreden wordt. Dat gebeurde ongeveer 74.000 jaar geleden toen de vulkaan Toba op Sumatra total lossknalde. Toba is de ergste vulkaanuitbarsting in de geschiedenis van de mensheid, al was er toen nauwelijks een mens die wist van deze vulkaanuitbarsting aan de andere kant van de aarde, laat staan dat die mens een verband zag met de hel op aarde die ze veroorzaakte. Nee, daar kraaide tienduizenden jaren geleden geen haan naar.
Er woonden toen waarschijnlijk helemaal geen mensen in dit deel van Oost-Indië. Heel misschien was er een volkje nazaten van de java-mens, die dan op het punt van uitsterven moet zijn geweest. Die Homo florensiensis zou dan samen met de Flores-olifantjes de ramp met de Toba overleefd hebben, misschien wel dankzij die geringe grootte. Homo erectus, waartoe de java-mens gerangschikt wordt, zou dan pas vijftigduizend jaar geleden in plaats van een half miljoen jaar uitgestorven zijn. De Flores-mens zijn daar mogelijk zwemmend of misschien op een drijvend eilandje terecht zijn gekomen en dan een dwerggroei op dit eiland ter grootte van een derde van Nederland ondergaan hebben om een qua aantal levensvatbare populatie te bereiken met reuzenratten als belangrijke voedselbron. Als deze ‘hobbits’ echter tot de Homo sapiens behoort, dan veronderstel ik dat zij pas na deze ramp dit eiland kwamen bevolken. Dat lijkt me erg onwaarschijnlijk; waar en hoe moeten die kleine mensen daar zijn terechtgekomen? Hoe spoort en strookt dat met die dwergolifantjes en de reuzenratten. Hoe verhouden ze zich tot de komodovaranen die er nog steeds rondlopen en -zwemmen?
De explosie van de Toba heeft als getuige en als litteken een enorme komvormige krater, een caldera, in het landschap achtergelaten die met water is volgelopen en zo het grootste kratermeer ter wereld heeft gevormd. Dit meer meet een lengte van honderd kilometer, een breedte van ruim dertig kilometer en een diepte tot 505 meter.
De eruptie veroorzaakte wereldwijd een vulkanische winter van zeker zes jaar, misschien wel veel langer. As en gas in de aardse atmosfeer verduisterden de zon en hinderden de in- en uitstraling met een kaalslag onder de levende natuur als gevolg. Planten- en diersoorten werden gedecimeerd. Het tropisch regenwoud verdween vrijwel helemaal op aarde als gevolg van de stinkende stikkende droogte in de tropen. Als de mensheid van de savanne stamt dan was het toen en wist ze niet hoe snel ze die savanne de rug toe moest keren.
Van die menselijke wereldbevolking overleefde slechts tussen de duizend en tienduizend mensen in Afrika en wisten elders verspreid over Eurazië enkele nauwelijks levensvatbare groepjes (archaïsche) mensen en neanderthalers zich te handhaven. Van deze kleine populatie(s), die allemaal bij elkaar in een gemiddeld eerste-divisie-voetbalstadion zouden passen, stammen wij vrijwel allemaal af en er wordt daarom wel gesproken van een flessehals of van een oog in de naald in de evolutie van het leven om het betrekkelijke gebrek aan genetische diversiteit en differentiatie nadien te verklaren bij mens, plant en dier.
Een natuurramp in de orde van grootte van Toba, 74.000 jaar geleden, vindt gemiddeld eens in de honderdduizend jaar plaats, soms twee of drie keer vlak achter elkaar, soms eens in de twee, drie miljoen jaar. De vulkanische uitbarsting bij hotspot Yellowstone 640.000 jaar geleden valt in dezelfde orde als Toba.
Een flessehals in de evolutie (waarvan er tientallen zijn geweest, maar het zijn allemaal andere flessen met een mousserende inhoud en van verschillende afmetingen met afwijkende halzen en doppen) leidt tot een kaalslag die de voedingsbodem en ruimte kan bieden voor een nieuwe versnelde natuurlijke selectie op de vruchtbare vulkanische bodems. Mogelijk dat deze flessehals mensen noopte tot nog meer samenwerking en vindingrijkheid om te kunnen overleven en ontwikkelden nieuwe methoden met betrekking tot het verzamelen, bereiden en verwerken van voedsel en het vervaardigen van allerlei technische hulpmiddelen als naaigerei, werktuigen en wapens voor jacht en visserij. Maar de belangrijkste eigenschap van deze mensen was dat ze de andere dieren de baas waren. Ze hadden vuur en ze gebruikten en beheersten het waarschijnlijk al een half miljoen jaar. Ze waren niet kwetsbaar, integendeel, ze waren machtig en waanden zich superieur ten opzichte van de andere dieren. Dat etaleerden ze middels woord en gebaar: ze spraken taal.
De technologisch en cultureel geïnnoveerde donker gekleurde groepjes mensen verspreidden zich over de wereld waarbij ze sporadisch onderweg andere groepjes mensen tegenkwamen met wie ze zich al dan niet min of meer noodgedwongen mengden, maar met wederom een cultureel-evolutionaire hink-stap-sprongetje als gevolg waarbij de taal haar vleugels verder uit slaat.
De eerste de beste vulkaanramp in de geschiedenis van de mensheid was de ergste en leidde tot de wereldwijde diaspora ervan. Die verspreiding van de mensheid verliep zo snel en makkelijk omdat het inferno met de Toba plaatsvond tijdens het Weichselien toen de aarde als geheel een betrekkelijk koude en droge planeet was met een gemiddelde zeespiegelstand die honderdtwintig meter lager was dan de huidige. Bedenk daarbij wel dat in een heel brede strook rond de evenaar de temperaturen tropisch en subtropisch bleven. Die temperatuur onderweg langs de kusten veraangenaamde de migratie van de blootvoetse nudisten. Deze mensen wisten toen niet van eenlaag zeespiegelpeil, want dit was al tienduizenden jaren lang de normale zeespiegelstand. De getijdebeweging was net zo normaal en vertrouwd. Het continentaal plat, dat droog lag, fungeerde als een snelweg met een keten van natuurlijke, dus non-profit, fastfood restaurants met selfservice langs de kust en op het strand. Zeeland luilekkerland! ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u’, dat biologische verlangen van alle dieren en planten; de mens is de enige soort die het verwoordt. Aldus geschiedde, want er was plek zat en ze namen de beste en snelste weg van de minste weerstand: de kustweg dus. Die weg liep vanuit Afrika via de Zuid-Aziatische kusten naar Japan, Korea, Taiwan, Indonesië en Australië. Vijftien duizend jaar geleden was er een afslag waarbij je via Korea, Siberië, Alaska en de westelijke kuststrook van Amerika in Vuurland terechtkwam.
§ 23 De vrouw als bezit
De tweevoetige veroveraars met hun vermeende cerebrale vermogens vierden hun overvloedige bestaanswijzeterwijl ze hun eigen voorraadkast plunderden en er bijgevolg schaarste ontstond, vooral in de gebieden waar bevolkingsdruk ontstond als gevolg van bevolkingsgroei en immigratie. Een van de eerste regio’s met overbevolking was het vruchtbare gebied van de Halve Maan op het kruispunt van Afrika en Eurazië. Daar moesten de bewoners hun nomadisch bestaan opgeven en zichzelf een nieuwe bestaanswijze toe-eigenen, zoals het bedrijven van landbouw om in hun levensonderhoud te voorzien. Met de vestiging op een vaste plek bij hun lapje grond nam het begrip eigendom bezit van hen. Bezit moesten ze in handen zien te houden. Vrouwen werden ’s mans bezit, hun zonen erfden om zodoende het land te behouden voor de familieman. Dochters werden met een bruidsschat het huis uit gestuurd en moesten ontheemd hun intrek nemen bij een man die vaak veel ouder was en die ze pas in bed beter leerde kennen. Of dat een aangename kennismaking was? De vraag of ze kinderen met hem wilde, kwam niet eens ter sprake. Verkrachting binnen het huwelijk? Waar heb je het over? Ze werden monddood en op jonge leeftijd moeder gemaakt en kwamen vaak terecht in vijandig gezinnen waar ze door de andere concurrerende gezinsleden en hun schoonmoeders stiefmoederlijk behandeld werden. Ze werden geknecht, gepest en ze moesten hun benen spreiden om kinderen te baren. Ze kregen de schuld als ze teveel meisjes en te weinig jongens levend baarden.
Evenals de drang om voort te leven en te groeien hoort de drang om voort te planten bij de eerste natuur van plant, dier en mens. Bij de vrouw is die drang en daarmee de gedragsstrategie ten aanzien van de voortplanting in vele opzichten precair van aard vanwege het belang en de impact die het heeft op haar hele leven en lichaam. Dit geldt voor dieren in het algemeen, voor zoogdieren nog meer en dit geldt voor vrouwen in de mensenwereld eens te meer. Het is logisch, biologisch, economisch en rationeel dat de vrouw gebaat is bij een juiste partnerkeuze voor de eventuele bevruchting van een eicel omdat voor haar de consequenties van deze investering veel ingrijpender zijn. Daarom zijn vrouwen kieskeuriger dan mannen. Bij een ongelijkwaardige verhouding hebben vrouwen echter niets te kiezen en dat overkwam hen gedurende de neolithische transitie. Bij deze overgang waarbij de vrouwen waarschijnlijk oorspronkelijk het voortouw genomen hadden en de mannen op sleeptouw namen, werden ze zelf de dupe. Het nieuwe normaal werd in het gebied van de vruchtbare halve maan de kiem van een paternalistische moraal waarbij de vrouw het ongevraagd voor de kiezen kreeg als ze gekozen werd. Deze kunstmatige selectie, die je een culturele selectie kunt noemen, overtroefde háár sexuele selectie en zette haar eerste natuur overboord en buitenspel.
Landbouw als bestaansmiddel houdt een bestaanswijze in die in het zweet des aanschijns verdiend dient te worden teneinde een eentonig armzalig dieet van voornamelijk brood, maïs of rijst te verwerven. Ten koste van al die zwoegende mensen met hun schamele eigendommen in hun huisjes werd oorlog een geliefde, legale en zelfs eervolle mogelijkheid om de voorraadkasten aan te vullen. Dan stond de boer weer met lege handen en werd hij ook maar een bezeten soldaat.
§ 24 Een verloskundig dilemma: de obstetrische paradox
De Amerikaanse auteur Cat Bohannon heeft een geweldig boek geschreven over de evolutie van de mens met de vrouw als uitgangspunt of invalshoek, vandaar de titel Eva[9]. Helaas heeft zij geen woord over voor een (gedeeltelijke) aquatische achtergrond van de mens. Misschien heeft zij er nooit van gehoord en gaat ze evenals Harari ervan uit dat de savanne de habitat van onze voorouders was en dat ze daar rechtop gingen lopen en dat vooral vrouwen te kampen kregen met kwalen als gevolg van die gang. Ter illustratie enkele citaten (p. 23): ‘… problemen waarvoor de zwaartekracht ons stelt: dat rechtop dateert maar van 4 miljoen jaar geleden. Daarvóór waren onze voorouders zo slim om niet op twee benen te lopen, want daardoor zijn al onze in miljoenen jaren geëvolueerde organen boven op elkaar beland (en is ook onze ruggengraat een puinhoop geworden).’ (p. 103): ‘…: hoe nieuwer een onderdeel, hoe groter de kans dat het niet goed functioneert. Wat dat betreft heeft het lichaam wel wat weg van een smartphone. De wanden van onze moderne placentaire vagina zijn tamelijk nieuw en daardoor ‘een nog niet volledig uitgetest product’. (p. 104): ‘Het ander evolutionaire probleem bij de geboorte is natuurlijk dat we rechtop staan en zitten. Dat betekent dat er door de organen in het bekken veel druk wordt uitgeoefend op de vagina. (…) Maar doordat we tegenwoordig rechtop lopen drukt de blaas uiteraard op de voorkant van de vagina. Als die wand is verzwakt door een bevalling kan de blaas verzakken. Het is een kwestie van zwaartekracht.’
Tja, die zwaartekracht, daar heb je in het water geen last van. Onze voorouderlijke vrouwen liepen miljoenen jaren rond in een tegennatuurlijke geërecteerde houding rond? Nee, natuurlijk niet, zelfs de mannen niet. De geschetste problemen zijn pas geleidelijk aan veel later ontstaan toen die watermensapen uit het water kwamen en meer en meer op land gingen lopen met de Homo erectus voorop en in zijn voetsporen de zeemeermin, tweebenig weliswaar, maar met tegenzin.
Met betrekking tot het obstetrisch dilemma schrijft zij (p. 237): ‘Vergeleken met andere aapachtigen hebben vrouwen hebben een kleine bekkenopening en mensenbaby’s een groot hoofd. Toen de mensachtigen op twee benen gingen lopen, moest ons bekken zich aanpassen, hetgeen leidde tot een smallere bekkenopening en een nauwer geboortekanaal. Voor Ardi was dit waarschijnlijk nog niet zo’n probleem, voor Lucy al meer, en tegen de tijd dat habilis en haar soortgenoten rondliepen, was het een reëel probleem geworden.’ Dat bekken hoefde zich pas aan te passen toen ze het land opging en daar ook ging bevallen. Ik vraag me af of dit obstetrisch dilemma groeide met de grotere babyhoofdjes ongeveer een half miljoen jaar geleden, eventueel in combinatie met het gehurkt bevallen aan land in plaats van in water.
Het obstetrisch dilemma is een onderdeel en een voorbeeld van het morele dilemma waarmee de menselijke samenleving constant en in toenemende mate geconfronteerd wordt. Als je de natuur haar werk laat gaan, zou de kinder- en moedersterfte enorm toenemen, maar zouden vrouwen op den duur kleinere baby’s gaan baren, zouden we minder oud en minder dik worden en zouden er geen ambulances zijn omdat er geen wegen of wielen zijn. We beschikken over de technologie om mensen te laten leven die in de natuur zonder hulpmiddelen niet levensvatbaar zouden zijn. We kunnen het sociaal en cultureel niet over ons hart krijgen om ongezonde baby’s met het badwater weg te gooien waardoor de paradox lijkt te ontstaan dat we veel meer overlevingskansen hebben en ouder worden terwijl we ongezonder zijn en een kwalitatief slechter nageslacht produceren.
Obstetrisch is een moeilijk woord, de betekenis ervan is verloskundig. Een duur woord zoals obesitas dat zwaarlijvigheid betekent. Het obstetrisch dilemma is het probleem voor de verloskundige om de beste behandelwijze te kiezen (wel of niet een keizersnee bijvoorbeeld) om een vrouw te laten bevallen waarbij veiligheid en gezondheid voor moeder en baby voorop staan. De vrouw wordt vaak niets gevraagd. Er wordt gehandeld, soms tegen de wil van de vrouw in die haar wensen op papier heeft gezet, maar op het kraambed weinig sjoege heeft om weerwoord te geven. Ik had nog nooit van een obstetrisch dilemma gehoord, laat staan van obstetrisch geweld. Komt dat omdat ik het zelf bedacht heb?
[9] Cat Bohannon. Eva; Wat de evolutie over het vrouwelijk lichaam zegt over wie we zijn; 2023. Oorspr. titel: Eve. How the Female Body Drove 200 Million Years of Human Evolution (2023).
§ 25 Genitaal: de wereld komt uit een kut
Het verschil tussen man en vrouw is de sekse. De bijdrage aan het voortplantingsproces is voor vrouwen veel groter dan die voor mannen. In het dierenrijk dragen en baren de vrouwtjes de bevruchte eitjes, de zeepaardjes daargelaten. De vrouwen in het zoogdierenrijk dragen na de geboorte zorg voor de zuigeling(en) door ze met de borst te voeden en op te voeden. Bij de mensen produceert een vrouw één eicel per maand die meestal onbevrucht wordt afgevoerd. Is de eicel wel bevrucht dan wordt die cyclus doorbroken en stop gezet. In plaats daarvan wordt de groei ingezet van een levend wezentje waarmee de gastvrouw met haar uitdijende inwendige babykamer steeds meer belast wordt tot het kritieke stadium bereikt wordt, dat de foetus eruit wil en het vrouwenlichaam dit evenzeer wil waarop de vliezen breken. De dubbelhartige, wederzijds parasitaire moeder-kindrelatie die is ontstaan met de zwangerschap wordt noodzakelijkerwijs meer en meer symbiotisch gedurende die periode van verwachting en heeft invloed op de verhouding tussen moeder en kind na de bevalling. De premature natuur van de baby en hun beider kwetsbare conditie en positie spelen een belangrijke rol in deze co-evolutie van moeder en kind. Deze co-evolutie heeft vanwege het functionele belang nog veel meer consequenties, zoals de vorming van een wereldbeeld, sociaal gedrag en het leggen van prioriteiten. Vrouwen zijn bijvoorbeeld veel sensitiever dan mannen en dat is functioneel. Ze ruiken sowieso al beter en nog beter rond hun ovulatie en onverbeterlijk beter als ze zwanger zijn. Moeders kunnen op een kraamafdeling zelfs hun eigen baby er tussenuit ruiken. Ze horen hun baby’s beter, want ze horen hoge tonen beter dan mannen. Harde geluiden komen bij vrouwen harder binnen dan bij mannen en dat geldt niet alleen voor geluid. Sensitiviteit betekent zintuiglijk en gevoelig. Horen, zien, ruiken, proeven, tasten en voelen zijn zintuiglijkheden. Qua gevoel kun je daartoe tevens intuïtie of instinct rekenen.
Eigenlijk is die hele voortplanting voor een vrouw geen lolletje. Zoveel moeite, ellende, pijn, opoffering, gedoe. Moederschap is levenslang. Waarom doe je dat? Zie eerst maar eens een geschikte partner te vinden en dan? Garantie tot op de hoek! Waarom planten we ons voort? Waarom planten dieren zich voort? Omdat we sex willen. Zonder sex geen voortplanting. Er moet iets zijn dat verleidt tot sex. Dieren zouden zich echt niet voortplanten als het niet lekker was of een ander voordeel zou bieden. Ze zouden zelfs niet eten of drinken als het niet lekker was. Wij, mensen in onze cultuur met een opgelegde krampachtige en dwangmatige natuur leerden ten aanzien van sex en sexuele selectie plaatsvervangend te denken aan die goddelijke pracht met de bloemetjes en zoemende bijtjes en de exhibitie van overdreven uiterlijke verschijningsvormen, zoals de pralende pauwhaan met zijn prachtige staart, de parmantig paraderende prieelvogel met zijn danspasjes in zijn paradijsje dat hij tot de hare wil maken, de wenkkrab die met zijn grote zware schaar boven zijn kopje de vrouwtjes probeert te imponeren, de grotesk vertakte hertengeweien en de imposante imponerende (zee-)zoogdieren met hun hoorns en ivoren slagtanden die qua vorm gekruld, gebogen, recht en krom, enkel en dubbel kunnen zijn. Wat een creaties! Arme schepsels, hun groteske exhibitie van pracht en praal als gevolg van sexuele voorkeur zal tot hun ondergang en uitsterven leiden.
Sex diende enkel de voortplanting, zo werden we kerks voorgelicht en kregen we een misogyne kutmoraal opgelegd. De productie van nageslacht werd klinisch ingericht en gevoelloos aangepakt. Alsof er geen eenheid bestaat tussen de grootheden geluk, hart, liefde, sex, geslachtsdaad, nageslacht. Alsof lekkere sex voor ‘ons’ niet was weggelegd. Plat volksvermaak! Dierlijk en bah! Lekkere sex als iets exotisch; om over te dromen en te zwijgen; onbespreekbaar, dus onbegrijpelijk, neen, ontkenning! Iets voor hoeren, primitieve volkeren met hun neusbotjes, piercings, tatoeages, peniskokers, pommades, serenades, romantiek, bordelen, Baudelaire, lief, vies, voos en Frans, iets voor wilden, edele wilden: Aloha & Tahiti!
Sex dient samen met de liefde en het verband met kans op voortplanting opwaardering als bron van het leven, drijfveer voor het leven en een levensbehoefte, – drang, -drift en -droom. Een betere drug is er niet; goed voor de gezondheid vanwege de geliefde lichaamsbeweging, de symbiotische productie en uitwisseling van lichaamssappen, liefdeshormonen, bevrediging en genot en een positieve bijdrage aan het algeheel welbevinden. Iedereen heeft van jongs af aan een enorme belangstelling voor sex en sekse. Het genoegen waarmee mensen de liefde bedrijven, getuigt hiervan en duidt op het harmonieuze, erotische en liefdevolle karakter, anders zou deze daad veel moeilijker, moeizamer, ingewikkelder en/of omslachtiger verlopen. Dan zou sexuele selectie lichamelijke obstakels als flessehalzen evolueren, zoals nauwere geboortekanalen, (spontane) miskramen, valstrikvagina’s en penissen met stekels. De sexuele boodschap luidt dan dat bevruchting ongewenst is. Een baby krijgt immers de helft van de genen van de vader, nou, als je als moeder levenslang hebt dan is een goede man als vader van je kroost van levensbelang.
Als je als vrouw verkracht wordt, wil je geen nageslacht van de verkrachter. Dat is een dubbele straf. Je wenst in geval van bevruchting een abortus; een wens overigens waaraan geen kerkvader een boodschap heeft. Stel je voor dat hij de vader is! Dan zou zijn kind vermoord worden, daarom dood aan de vrouw en haar aborteur! Nee, als het zo moet en je als vrouw zo dubbel genaaid wordt, kun je beter uitsterven. Daarom kiezen we liever de boodschap van liefde om tot een vruchtbaarder symbiose te komen. Een strategie daarbij is dat je je liefde en toewijding laat zien. Sloof je uit. Bij vogel zijn het in het algemeen de vrouwtjes die de grootste uitslovers selecteren of schoonheid als criterium kiezen of zorgzaamheid, bijvoorbeeld als het haantje zijn hoentje afwisselt op het nest en hij ook zijn kuikentjes hoedt, voedt en opvoedt. Een dergelijk voortplantingssucces is natuurlijk tegelijkertijd evolutionair succesrijk en bevordert de biologische eenvoud om met elkaar te paren. Is dit geen sexuele selectie? Is liefde, hartstocht en harmonie geen sexuele selectiestrategie?
Het leven is weerbarstig; het sexuele leven is het toppunt van weerbarst. De paradox van sex: vaak moeilijk en complex, maar de opoffering, de moeite en het uitstel waard overeenkomstig de beloning die (onbedoeld, nauwelijks bewust, misschien juist heel bewust en/of zeer opzettelijk) het eeuwige voortleven via de voortplanting voortbrengt. Sex levert leven.
Gezien onze geschiedenis waarbij in het grootste deel van de wereld de minderwaardigheid en minachting ten aanzien van vrouwen geïnstitutionaliseerd is, wekt het bevreemding dat het aanzien van en de liefde voor de vrouw toch nog zo hoog in aanzien staat. Liefde staat boven de wet, dat is het. De wet die ons wordt voorgeschreven door mensen die zichzelf er boven stellen. De wet is een uiting van cultuur. Onze eerste natuur wenst geen wet,. Liefde is onbetaalbaar, want het kost niets. Als er iets niet een instituut is dan is dat de liefde. Zie het geluk en de levensvervulling van een ouder met een kind voor op de fiets uitstralen.
De liefde wordt bezongen. Geen grotere passie dan hartstocht!
§ 26 Het Antropogeen
Het vermogen tot anticiperen en fantaseren ontberen dieren, want die twijfelachtige kwaliteit is niet functioneel om je voort te planten en te overleven. Het hele dierlijke lichaam is doortrokken van een intelligentie, instinct geheten, die bij een laatkomer in de evolutie als de mens vooral in de vorm van angst tussen de oren lijkt te zitten. Mensen denken, dieren doen. Een mier, een muis is niet bang, geen tijd voor en van geen enkel belang. Wegwezen, je voor dood houden of aanvallen, dat is samengevat hun meestal korte levensverhaal. Wat is de mens met zijn fantastisch lange kindertijd en een anticipatie die leidt tot een bange wapenwedstrijd dan toch een vreemde eend in de bijt.
Hoe kun je als soort overleven als je uit een betrekkelijk zwak schepsel bent voortgekomen, vroeg Darwin zich af. Hij nam aan dat dit kwam met dank aan onze intellectuele vermogens, maar dan zouden we niet uit een zwak schepsel zijn voortgekomen. Dat verstand moet dan als een speling van de natuur uit de lucht zijn komen vallen.
Als zwak schepsel verstop je je, houd je je muisstil, vlucht je in holen en grotten, klim je in bomen of zoek je je toevlucht in water. Wij waren mensapen die het water in vluchtten en dat beviel ons wel. Dat bevalt ons nog steeds, maar vluchten hoeft niet meer. We zijn heer en meester; de vrouw een stukje minder, want we zijn het vuur de baas. We gingen jagen, ons kleden, bezit nastreven, leren studeren en de gekste dingen bedenken. Tijd! Geld! Het heeft er uiteindelijk toe geleid dat de landlopers en luchthappers die we nu zijn, prematuur worden geboren en inmiddels levenslang een buitenbaarmoederlijk bestaan leiden. Hoe kunnen dergelijke zwakke schepselen voortbestaan? Dat kan als je uit een beschermde omgeving komt. De meeste kinderen groeien op in een veilige omgeving. Die beschermde omgeving bestaat bij mensen vooral uit andere mensen met hun industrieën aan hulpmiddelen waarvan we in explosief toenemende mate afhankelijk zijn geworden.
Ons lichaam blijkt niet goed aangepast aan onze huidige habitat en die onaangepastheid neemt alleen maar toe met de cumulatie van kunstmatigheden en extensies waardoor de habitat zich aan ons moet aanpassen. Neotenie maakt van volwassenen verwende kinderen. Dat is de infantiliteit ten top en de wereld op zijn kop. Die omgekeerde wereld krijgen we terug op ons dak. Onze op hol geslagen evolutie versterkt het broeikaseffect, versnelt de erosie, put de bodem met haar schatten uit, veroorzaakt afval, droogte en overstromingen en een asociale, anti-sociale, desocialiserende emotionele verloedering en ontreddering waaruit we hopeloos trachten te ontkomen door ons aan een kinderhand uit ons aards tranendal te laten geleiden.
Tijdens het huidige Holoceen, wordt het warmer, maar helaas ook droger terwijl er ongeveer evenveel neerslag valt. Deze drogere aarde is een gevolg van menselijk handelen. We onttrekken steeds meer schoon water uit de ondergrond die onmogelijk voldoende aangevuld kan worden. Dat geldt niet alleen voor water, maar voor alle materiaalstromen. Deze teneur van groeiende transport-, productie-, consumptie-, energie- en afvalstromen van een groeiende welvaart voor een groeiende wereldbevolking met een alsmaar toenemend en ongekend beslag op de natuurlijke hulpbronnen, blijft explosief cumulatief toenemen. We dreigen een nieuw klimaat in te leiden dat een nieuw tijdvak met het predicaat Antropoceen verdient als beloning voor ons waardeloze superieure gedrag. Het is heel goed mogelijk dat wij, oververhitte hyperventilerende mensen, dermate een ontwrichting van het milieu veroorzaken dat stijging van zeespiegel en temperatuur tot toename van verwoestijning, bosbranden en overstromingen leidt en dat je dan werkelijk van een zondvloed met goor zeewater kunt spreken als visionaire straf avant la lettre voor ons waardeloze rentmeesterschap over onze bont-en-blauwe planeet. En anders kan een fikse meteorietinslag, een flinke vulkaanuitbarsting, eventueel in combinatie met de gevolgen van ons milieu-vijandelijk handelen, die arrogantie in een klap wegvagen en spreekt de laatste overlevende met zijn laatste adem het overleden Antropogeen uit.